Tanzania ontdekt de roos; Lucratieve bloementeelt verdringt koffieplantages

ARUSHA, 9 OKT. Tussen de maïsakkers en bananenbomen aan de voet van de bergen Kilimanjaro en Meru groeien 'Nederlandse' rozen. In dit vruchtbare gebied van Noord-Tanzania neemt het kweken van bloemen, die worden verkocht op de veiling van Aalsmeer, een razendsnelle vlucht. “Meneer, wilt u mijn akker kopen? Dan kan u er bloemen gaan verbouwen”, roept een boertje de blanke voorbijganger toe.

Rozen drukken veelal een symbolische waarde uit in het Westen. Afrikanen hechten een dergelijke waarde niet aan een bosje bloemen en nemen ze zeker niet mee naar huis. Maar waar geld te verdienen valt, ontstaat handel. Steeds meer Afrikaanse landen wenden vruchtbare gronden aan voor bloemkwekerijen. Twee tot drie dagen na het plukken van de rozen liggen deze op de veiling van Aalsmeer, vanwaar vijftig procent van de totale aanvoer weer wordt geëxporteerd.

Remmy Kweka vormt een uitzondering op zijn landgenoten. “Ik heb vreemd genoeg altijd van bloemen gehouden en zet ze graag in een vaas bij me thuis op tafel.” Kweka is produktiemanager van Continental Flowers. Het is curieus dat deze plantage eigendom is van een Masai; de Masai zijn een herdersvolk dat landbouw traditioneel veracht. “Bloemen brengen al na drie maanden geld op”, vertelt Kweka. “Koffieplanten daarentegen, voorheen het belangrijkste gewas in de regio, leveren pas na zes jaar winst op. Bovendien, door de lage prijzen die de regering voor koffie betaalt, hebben boeren hun interesse in dit gewas verloren.” Grond werd in het relatief dichtbevolkte noorden van Tanzania in tegenstelling tot de rest van het land nooit genationaliseerd (elders in het land krijgen boeren sinds enkele jaren weer eigendomsrechten op hun akkers).

De Nederlandse familie Bruins bezit twee bloemenkwekerijen rond Arusha: Tanzania Flower en Kili Flower. De produktiemanager van Tanzania Flower, waar vijfduizend arbeiders werk vinden, is Bruce Russell. “Het kweken van rozen vergt een gecompliceerde technologie, irrigatie en speciaal, duur plastic om bepaalde stralen uit het zonlicht te filteren en de temperaturen te regelen”, legt hij uit. Zaken doen is in het voormalig socialistische en nog sterk gebureaucratiseerde Tanzania soms een nachtmerrie. “De regering zegt het aantrekkelijk te willen maken voor buitenlandse investeerders, maar wij voeren hier nog een dagelijks gevecht”, vervolgt Russell. “De infrastructuur is slecht. Er vliegen steeds minder internationale luchtvaartmaatschappijen op Kilimanjaro die onze rozen moeten meenemen en daarom moeten we onze meeste vracht over de weg naar de Keniase hoofdstad Nairobi vervoeren. We betalen zes keer belastingen, de elektriciteitskosten gingen onlangs met driehonderd procent omhoog, het water met duizend procent, en we ondervinden moeilijkheden met import van bijvoorbeeld dekplastic. Buurland Kenia kent veel minder van dergelijke obstakels voor investeerders.”

Lonen zijn, evenals in de meeste andere Afrikaanse landen, laag. Het minimumloon op Tanznia Flower bedraagt ƒ 1,70 per dag. Daarmee is een florissante winst voor de eigenaars echter geenszins verzekerd, volgens Russell: “De competitie bij de verbouw van bloemen in Oost-Afrika neemt toe. Alles draait om kwaliteit, je daagt jezelf dagelijks uit om een betere roos te produceren om in de business te kunnen blijven. Soms maken we helemaal geen winst. Een roos brengt doorgaans dertig cent voor ons op, maar soms, bijvoorbeeld als de temperaturen in Nederland gunstig zijn voor de verbouw daar, maar tien cent. Alleen over het hele jaar gezien maken we winst.”

De expansie van de bloemenkwekerijen in Tanzania zal het noordelijke gebied binnen enkele jaren een geheel ander aanzicht kunnen geven. Sommige kleine boertjes voorspellen al dat de voedselproduktie zal afnemen naarmate meer plattelanders op plantages gaan werken.

Ook Tanzaniaanse boertjes gaan intussen van bloemen houden. “In het begin dachten we dat ze gek waren”, lacht Russell, “maar nu zie je soms al bosjes kleurrijke bloemen in Afrikaanse hutten.”