Steun van serviceclubs weer hard nodig

Met het afbrokkelen van de verzorgingsstaat groeit de behoefte aan vrijwilligers in serviceclubs. Van de leden wordt tegenwoordig niet alleen verwacht dat ze de portemonnee te trekken, maar ook dat ze zich persoonlijk inzetten.

AMSTERDAM, 9 OKT. De overheid trekt zich terug op het gebied van de gezondheidszorg. De decentralisatie zet door en subsidies worden ingetrokken. Er vallen gaten in de hulpverlening. De mantelzorg, dat wil zeggen de onbetaalde hulp van buren en bekenden, wordt opgepoetst. Daardoor wordt in Nederland in toenemende mate een beroep gedaan op serviceclubs zoals bijvoorbeeld de Soroptimisten, Rotary, Lions of Juniorkamers.

Prof. dr. A. van der Meiden, theoloog en emeritus hoogleraar aan de Utrechtse Universiteit, betoogde onlangs op een symposium ter ere van het 75-jarig bestaan van Soroptimist International dat het tij gekeerd is: de steun van deze clubs is weer hard nodig.

Maar, zo stelt Van der Meiden, wel op andere manier dan voorheen. Niet meer zo neerbuigend maar eerder in termen van vanzelfsprekendheid. Van der Meiden: “Doen wat anderen niet doen zonder applaus voor goede daden. Twintig jaar geleden werd de leden op de maandelijkse of wekelijkse bijeenkomsten meteen gevraagd de flappen te trekken maar nu is er sprake van maatschappelijke betrokkenheid. Die richting moeten alle serviceclubs opgaan.”

De eerste serviceclubs ontstonden aan het begin van deze eeuw uit protest tegen het harde kapitalisme. Het waren vooral opstandige jonge managers die geen verantwoordelijkheid meer wilden dragen voor de daden van hun vaders. Zij verenigden zich in een club met een service-ideaal. Dat ideaal was, en is nog steeds, tweeledig: inzet voor de leden onderling èn voor de maatschappij in het algemeen.

Toen in de jaren zestig de welvaartstaat opkwam en de overheid alle touwtjes in handen kreeg, stierf de servicegedachte af. De clubs hadden hun beste tijd gehad en de wervingsacties onder leden stortten langzamerhand in. Er was nauwelijks meer vraag naar particulier initiatief omdat alls centraal werdgeregeld. Een enkel project dat geen steun van de overheid kreeg, werd door de clubs nog wel gefinancierd uit een daartoe opgericht fonds van de Stichting Tussen Wal en Schip. De serviceclubs kregen vooral een sociale functie.

Nu diezelfde welvaartstaat langzaam aan het afbrokkelen is, wordt er weer in toenemende mate een beroep gedaan op de serviceclubs. Voor zeer uiteenlopende initiatieven wordt door instanties geld gevraagd. De serviceclubs wikken en wegen, maar in de meeste gevallen worden alle partijen tevreden gesteld. Vaak in stilte want de meeste serviceclubs houden niet van publiciteit, of die nu negatief of positief is.

De voorzitter van de Stichting Interservice Nederland (SIN) waarbij negen organisaties zijn aangesloten, J.A. Jager, meent dat de samenleving anders is geworden, de clubs spelen daarop in. Maar men moet de rol van de serviceclubs niet groter maken dan hij is. “Het zijn vrijwilligers met alle voordelen maar ook de nadelen. De leden doen het in hun vrije tijd terwijl vele andere maatschappelijke organisaties de hulpverlening als hoofddoel hebben. Dat kan men van ons niet verwachten,” aldus Jager, die aan het hoofd staat van bijna dertienhonderd afdelingen van de verschillende clubs. In totaal zijn meer dan veertigduizend mensen in Nederland lid van een van de negen serviceclubs.

Volgens Jager heeft er inderdaad een verschuiving in betrokkenheid plaatsgevonden. Was het vroeger vooral een kwestie van liefdadigheid, charitas, nu wordt gestreefd naar immateriële dienstverlening, dat wil zeggen daadwerkelijke inzet voor maatschappelijke problemen. Als een thuiszorgorganisatie aanklopt bij een serviceclub met de vraag of er een kleine bijdrage is voor het jaarlijkse uitstapje van het vrijwillig personeel omdat de overheid daarvoor geen subsidie meer geeft, wordt niet alleen geld gegeven maar zorgt men ook voor vervoer en verblijf. Of als er gevraagd wordt naar een nieuwe speeltuin, regelt men een plek maar koopt men ook de schommel en de wip.

Van der Meiden benadrukt het belang van deze verschuiving. “Leden worden gedwongen betrokkenheid te tonen met zaken waar ze in hun dagelijkse leven nooit mee te maken hebben. Alleen geld geven voldoet niet meer. De bereidheid om te helpen en zich in te zetten voor de medemens is toegenomen.” Ook de Rotary spreekt van een “nieuwe impuls”. De clubs werken geheel onafhankelijk van elkaar. De meeste projecten zijn kleinschalig en betreffen de eigen regio of omgeving. Eenmaal per jaar heeft er bij veel serviceclubs een landelijk project plaats en dan worden alle krachten gebundeld. De Rotarians brachten vorig jaar miljoenen guldens bij elkaar voor het project 'Polio de wereld uit'.

De overheid trekt zich noodgedwongen terug in aandacht en zorg. Een voorbeeld daarvan is de ontvangst van de Angelsaksische oorlogsveteranen die vorig jaar naar Ede kwamen om de Airborne-dropping van 1944 te herdenken; het budget van overheidswegen was beperkt en er was dan ook geen lunch voor de parachutisten begroot. De gezamenlijke Lionsclubs hebben de organisatie van de lunch toen op zich genomen. SIN-voorzitter Jager: “Ik vond dat een mooi staaltje van samenwerking. Lokaal, beperkt en effectief.”

Sommige clubs streven juist naar internationale projecten. De nieuwe president van de Soroptimisten, apotheker G. Huizer-Boehmer (48), neemt geen genoegen met lokale projecten alleen. “Een bazar organiseren voor ouderen en gehandicapten in de buurt kan niet meer in deze tijd. De vraag om allerlei vormen van steun is de laatste jaren enorm toegenomen.” Meer dan de helft van haar vrije tijd gaat op aan de serviceclub.

Huizer: “Wil je in onze samenleving radartjes in beweging zetten dan kun je je niet alleen bezighouden met werk en gezin. Het is voor iedereen goed om daarnaast andere dingen te doen.”