Ruzie over bestemming joodse nalatenschappen

De stichting Joods Maatschappelijk Werk verdenkt notarissen in Nederland van het achterhouden van joodse uitkeringsgelden. Het Notarieel Broederschap wijst alle beschuldigingen van de hand.

ROTTERDAM, 9 OKT. De gepensioneerde notarisklerk A. van Dam ontving begin 1982 van een Haagse notaris een stapel dossiers over de nabestaanden en overlevenden van een joodse familie, van wie twee broers en hun gezin die in 1942 waren omgekomen in het concentratiekamp Auschwitz. “Er was in ongeveer 25 jaar niets aan gebeurd”, schreef Van Dam dat jaar aan de familieleden: “(...) aan de eindafrekening - voor u het belangrijkste - is hij (de Haagse notaris, KB.) nooit toegekomen. Ik heb dergelijke gevallen meer meegemaakt.”

De inmiddels overleden notarisklerk Van Dam is niet de enige, die in de boedel van notarissen is gestoten op stoffige dossiers, met informatie over de nalatenschappen van joden die in de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord, en over smartegelden en materiële schadevergoedingen voor de nabestaanden en de overlevenden. In het archief van de stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) bevinden zich volgens de Groningse emeritus hoogleraar geschiedenis prof. dr. I. Lipschits veel stukken die duidelijk maken hoe traag sommige notarissen de joodse smartegelden hebben uitgekeerd. “Het is pijnlijk om te zien hoeveel moeite nabestaanden hebben moeten doen om het geld waarop zij recht hadden uitgekeerd te krijgen”, zegt Lipschits.

De trage afwikkeling van de joodse uitkeringen door Nederlandse notarissen is een bron van ergenis voor de joodse gemeenschap, die zich toch al gefrusteerd voelt over de moeizame wijze waarop de financiële genoegdoening na de oorlog tot stand is gekomen. De afgelopen dagen is de ergernis uitgegroeid tot een rel tussen de stichting JMW en het Koninklijk Notarieel Broederschap (KNB), naar aanleiding van een jubileumboek over JMW van de hand van Lipschits dat volgend voorjaar verschijnt. JMW en Lipschits vinden dat sommige notarissen ten onrechte joodse uitkeringsgelden onder zich hebben gehouden en dat deze gelden moeten worden uitgekeerd aan JMW. De KNB zegt dat niet formeel is komen vast te staan dat de JMW recht heeft op deze gelden, waarvoor nooit een erfgenaam is gevonden.

“Mijn indruk is, maar daarvoor heb ik alleen aanwijzingen, geen bewijzen, dat notarissen in enkele gevallen de procedure slepend hebben gehouden, telefoonkosten hebben gedeclareerd, reisjes naar Rio de Janeiro hebben gemaakt”, zegt Lipschits. KNB-woordvoerder P. de Vos noemt dit volstrekte onzin: “Dat kan helemaal niet in dergelijke dossiers en het controle-orgaan van het ministerie van Justitie, het Centraal Bureau voor Bijstand, had dit nooit goedgekeurd.” Dát procedures zich hebben voortgesleept, wil De Vos wel aannemen: “Een dossier waarmee 25 jaar niets is gebeurd, dat mag je vreemd vinden.”

Bij het Algemeen Verdrag tussen Duitsland en Nederland dat in 1963 werd gesloten, kwamen beide landen een vergoeding van 280 miljoen mark overeen voor de Nederlandse oorlogschade. Daarvan was 125 miljoen mark bedoeld als smartegeld voor oorlogsslachtoffers en hun nabestaanden, onder wie vooral joden maar ook bijvoorbeeld zigeuners. Hoewel de Tweede Kamer uiteindelijk instemde, werd er flink gemopperd over de hoogte van het bedrag. De VVD sprak van een bagatel, de CPN van een afkoopfooi en de PvdA vroeg aan de regering: “Waarom hebt u niet gezegd: u kunt uw bijdrage houden, Nederland zal zelf zijn slachtoffers wel helpen.” Uiteindelijk zouden 50.636 van de zogeheten 'nazivervolgingsclaims' worden toegekend.

Het aantal toegekende schadeclaims voor door de Duitsers geroofde joodse eigendommen kwam uit op 40.555, waarvoor 235 miljoen mark werd uitgekeerd. In de oorlog waren de huizen van joden leeggehaald en hun bezittingen overgebracht naar Duitsland: het zogeheten 'pulsen' naar de verhuiswagens van A. Puls waarin de meubels werden afgevoerd. Joden hadden bovendien hun waardevolle bezittingen - effecten, lijfrentepolissen - moeten inleveren bij de bank Lippmann Rosenthal in Amsterdam. De totale Duitse schadevergoeding kwam uit op ongeveer vierhonderd miljoen gulden.

De smartegelden werden geregeld door het Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schade Uitkeringen (Cadsu) en de Stichting der Joodse Kerkgenootschappen en Sociale Organisaties (Jokos). De Cadsu werd in 1966 opgeheven en Jokos werd in 1973 geliquideerd en min of meer voortgezet door de stichting Joods Maatschappelijk Werk. De gelden waarvoor geen rechthebbende was gevonden zijn bij de notarissen, op afgezonderde rekeningen in de Stichting Beheer Cliëntengelden. “Let wel, de notaris heeft geen enkele voordeel van dit geld”, zegt KNB-woorvoerder De Vos.

Het zoeken van erfgenamen ging de notarissen niet eenvoudig af. J. ten Siethoff, hoofd van de Cadsu, constateerde in 1966 in zijn eindverslag dat de “notarissen veelal overkropt waren met werk en voor het vaak zeer tijdrovende verervingsonderzoek niet de nodige tijd konden vinden.” KNB-woordvoerder De Vos bevestigt dit: “In de jaren zeventig heeft een aantal notarissen - onder wie enkele joodse - dit soort zaken overgenomen van collega's en wisten zo veelal het ontbrekende puzzelstuk te vinden.”

Notaris-klerk Van Dam was een van hen en had duidelijk plezier in zijn “wereldomspannend karwei”: hij tekende voor een dossier “met behulp van de uiteraard zeer oude gegevens een zevental stambomen”. Het kostte hem echter grote moeite om het geld los te peuteren van de notaris en “dat begon mij te verdrieten”. Van Dam diende uiteindelijk een klacht in bij de Kamer van Toezicht voor de notarissen in Den Haag, waarvan de voorzitter “er werk van maakte en met succes”.

De stichting JMW begon nadat zij in 1973 een deel van de boedel van Jokos had overgenomen met het benaderen van notarissen met het verzoek om de nooit uitgekeerde gelden over te maken. JMW heeft de verplichting om eventuele rechthebbenden die alsnog opduiken geld uit te keren, maar mag de rente over de bewaarde gelden gebruiken voor sociale doeleinden. De meeste notarissen deden dat zonder morren, maar sommige betoonden zich wat afstandelijk. “Mijn voorganger heeft het geld overgemaakt aan een joods liefdadigheidsfonds, maar kan zich niet meer herinneren welke dat was”, schreef een notaris aan JMW.

Het JMW verzocht de notariële broederschap begin jaren negentig om in het maandblad bekend te maken dat de JMW de rechthebbende was voor de nooit-uitgekeerde gelden. “We werden steeds gebeld door notarissen die zeiden: ik heb hier nog gelden, wat moet ik ermee doen”, zegt JMW-voorzitter F. Ensel. De notariële broederschap verzocht in juni 1994 om aanvullende documenten om de rechten van JMW te staven, maar ontving die nimmer. “En die hebben we echt nodig”, bezweert KNB-woordevoerder De Vos.

Hoeveel geld er nog aanwezig is bij notarissen, is onbekend. De KNB heeft wel “de indruk” dat alle zaken inmiddels zijn uitgezocht en dat er geen nabestaanden meer zijn. Notaris-klerk Van Dam dacht daar begin jaren tachtig nog anders over. “Ik heb de indruk dat op notariskantoren nog onafgwerkte oorlogsboedels liggen. Een tiental jaren geleden heb ik de toenmalige minister van justitie erop geattendeerd, dat het mijns insziens wenselijk zou zijn om een enquête in te stellen op alle notariskantoren naar nalatenschappen uit de oorlog”, schreef Van Dam in 1982, die zijn verzoek dat jaar nog eens herhaalde. Hij heeft nooit antwoord gekregen.

Gebruik is onder meer gemaakt van de publicatie Wiedergutmachung..? van M. Speijer, 1991.