Pakistan voedingsbodem voor Talibaan

NEW DELHI, 9 OKT. Vanaf het prilste begin is Pakistan nauwer dan wie ook betrokken geweest bij de zegetocht van de Talibaan, de streng islamitische strijders die zich bijna twee weken geleden meester maakten van de Afghaanse hoofdstad Kabul. Weliswaar heeft de regering in Islamabad officieel steeds ontkend dat het een rol heeft gespeeld bij de successen van de Talibaan, maar slechts weinigen nemen zulke verklaringen serieus.

Onomstreden is dat de beweging twee jaar geleden ontstond op Pakistaanse madrasa's, traditionele islamitische scholen waar de Koran het hoofdgerecht vormt en de strijd voor de islam als het hoogste goed wordt beschouwd. Vooral in de Pakistaanse grensprovincies trokken deze scholen al jaren veel Afghaanse vluchtelingen aan, mede omdat er gratis kost en inwoning beschikbaar waren.

Twee jaar geleden besloot een groep jonge Afghaanse Talibaan (een Talib is een student) de handen ineen te slaan om hun vaderland te bevrijden van corruptie en andere praktijken die volgens hen in strijd met de islam waren. In de herfst van 1994 namen ze tot ieders verbazing plotseling de zuidelijke grensplaats Spin Boldak in en slechts enkele weken later stonden ze in Kandahar, de voornaamste stad van zuidoostelijk Afghanistan. De mujahedeen, de machthebbers tot dan toe, vluchtten of gaven zich over.

Vrijwel onmiddellijk circuleerden er geruchten dat de beweging actief werd gesteund door de Pakistaanse geheime dienst, de ISI. Deze had jarenlang tevergeefs geprobeerd de radicale Afghaanse leider Gulbuddin Hekmatyar met rijkelijke financiële en materiële steun in het zadel te helpen, maar die pogingen hadden steeds gefaald. Daarom zou de ISI ten slotte liever op een ander paard hebben gewed en de Talibaan zijn gaan steunen.

Vaststond verder dat de Pakistaanse fundamentalistische partij Jamiat Ulema-i-Islami, die veel invloed heeft op de madrasa's in Pakistan, ook Pakistaanse jongens aanmoedigde met de Talibaan mee te vechten. Deze groepering zou de Talibaan tevens van veel geld hebben voorzien. Daarnaast zou de beweging al snel financiële steun uit het Golfgebied, vooral van Saoedi-Arabië, hebben ontvangen.

Tot op de dag van vandaag zijn zulke berichten voortdurend opgedoken, al zijn er nooit harde bewijzen voor op tafel gekomen. Een en ander kan wellicht verklaard worden uit de grote ervaring die de Pakistanen door de jaren heen hebben opgedaan met zulke geheime operaties.

In Kabul zeggen zowel Afghaanse als Westerse bronnen persoonlijk Pakistaanse militairen te hebben herkend in Afghanistan, steevast gekleed in Afghaanse kleren. Naar verluidt is er bij de Oost-Afghaanse stad Gardez zelfs een heel Pakistaans regiment gelegerd. Voorts zeggen dezelfde bronnen, die uit vrees voor hun veiligheid of de positie van hun organisatie anoniem willen blijven, vaak Pakistaans militair materieel in Afghanistan te hebben gezien.

Een Westerse man zegt bij de Talibaan soms adviseurs te hebben aangetroffen voor wie alles vertaald moest worden uit het Pashto, de voornaamste Afghaanse taal, in het Urdu, de officiële taal van Pakistan. Volgens onbevestigde berichten hebben de Verenigde Naties onlangs geprotesteerd bij de Pakistaanse regering nadat een VN-voertuig ruimschoots binnen de grenzen van Afghanistan werd aangehouden door een Pakistaanse gewapende patrouille.

Op de achtergrond speelt volgens veel waarnemers nog een andere factor mee: een nog te bouwen pijpleiding van de reusachtige Turkmeense gasvelden naar de kust van Pakistan via Afghanistan, een potentieel uitermate lucratief project. Ook Pakistan zou hier zeer van kunnen profiteren. Pakistan is verder vanouds in Afghanistan geïnteresseerd geweest wegens de verwachtschap tussen de grootste etnische groep in het land, de Pathanen, en hun volksgenoten in Pakistans Noordwestelijke Grensprovincie. Aan beide kanten van de grens leven zo'n zeven miljoen Pathanen. Zowel Afghanistan als Pakistan heeft in het verleden geprobeerd elkaars Pathanen bij zich in te lijven.

Overigens is de Pathaanse connectie een tweesnijdend zwaard: wanneer de Pathanen aan de ene kant succes hebben, ontstaat er meestal al snel onrust onder de broeders aan gene zijde van de grens. De met Pakistaanse steun bereikte zege van de Afghaanse Talibaan, die vooral in de Pathaanse gebieden grote aanhang genieten, kan dan ook gemakkelijk tot onrust onder de eigen Pakistaanse Pathanen leiden.

Een ander, zo mogelijk nog ernstiger risico voor Pakistan is dat de streng islamitische geest van de Talibaan over zal slaan naar Pakistan zelf. De ontnuchtering met de eigen politieke elite, die een zeer corrupte reputatie geniet, is groot. De Pakistaanse fundamentalisten, die tot dusverre electoraal nauwelijks een voet aan de grond hebben gekregen, doen hun uiterste best om deze gevoelens van frustratie voor eigen doeleinden uit te buiten. De Talibaan zouden hen daarbij een handje kunnen helpen.

Kennelijk uit vrees de eigen geloofwaardigheid te schaden, heeft Islamabad het nieuwe bewind van de Talibaan nog niet erkend. Intussen blijft premier Benazir Bhutto tegen beter weten in roepen dat Pakistan op geen enkele manier steun geeft aan de Talibaan. Tijdens een bezoek aan Londen vorige week presenteerde ze haar Westerse gezicht en verklaarde oprecht ongelukkig te zijn met de sluiting van meisjesscholen door de Talibaan.

Het valt niet uit te sluiten dat ze inderdaad weinig goeds verwacht van de Talibaan, maar het wordt met de dag duidelijker dat de premier bijzonder weinig heeft te zeggen over bepaalde delen van haar eigen regering, in het bijzonder de machtige ISI.