Kleuterleidster

Een raar vak is het, kunstjournalistiek.

In een gesprek met de chef-kunst van een gerenommeerd Nederlands blad merkte ik op dat er naar verhouding zo veel wordt geschreven over galeries die dode honden en video-installaties exposeren, en zo weinig over andere, waar figuratieve schilderijen en beelden te vinden zijn. Terwijl daarvoor wel degelijk belangstelling bestaat.

'Dat is het juist', zei de chef-kunst. 'Die redden zich wel zonder ons, die hebben ons helemaal niet nodig.' Hij vergeleek de figuratieve hedendaagse kunst met de thrillers van Stephen King, die ook niet in de krant worden gerecenseerd omdat zij zichzelf wel verkopen.

Beduusd repliceerde ik dat King mij anders een kundige schrijver lijkt en dat zijn werk toch ook wel eens wordt besproken. Maar hoe bizar de uitspraak van deze invloedrijke journalist was drong dan ook pas langzaam tot mij door. Ten eerste stelde hij argeloos de figuratieve hedendaagse kunst gelijk aan amusementslectuur, alsof elke herkenbare voorstelling op doek meteen een zigeunerkopje is. En dan, niet onlogisch misschien, meende hij ook nog dat kunstenaars die figuratief werken in het algemeen goed kunnen overleven op de vrije markt, terwijl de avant-garde of wat zich zo afficheert, permanent in haar bestaan bedreigd wordt - iets wat al decennia niet meer dan een mythe is.

Maar het verbluffendste vond ik de journalistieke implicatie van zijn woorden: niet de nieuwswaarde, niet de belangstelling van de lezers, zelfs niet de kwaliteit van de kunst woog het zwaarst. Nee, het ging er om welke kunstenaars of exposities aandacht nodig hadden, alsof de pers een zorgzame kleuterleidster is, die hier een aai geeft en daar een prijsje, om iedereen blij te houden.

Dit soort opvattingen lijkt mij een uitvloeisel van het voortdurende, goedbedoelde maar schaapachtige geroep dat 'kunst moet'. Wie dat gelooft, moet dus wel alle kunst goed vinden. Een krant die vindt dat 'kunst moet', helpt dan natuurlijk vooral die kunst waar de mensen niet graag naar kijken, die niet in de smaak valt, zoals de goede kleuterleidster extra aandacht geeft aan kleintjes die zichzelf niet zo goed kunnen redden.

Maar kunst moet helemaal niet, tenminste niet op die manier. Kunst moet vooral goed zijn.

Diederik Kraaijpoel heeft eens een voor de hand liggende, maar toch erg treffende 'wet aangaande de gemiddelde beroepsbekwaamheid' geformuleerd. Die wet zegt dat ongeveer tien procent van de beoefenaren van enig beroep zeer bekwaam is, veertig procent redelijk functioneert en vijftig procent onder de maat is - beunhazen en zwendelaars, roept Kraaijpoel, maar dat gaat mij te ver. Slecht, zou ik zeggen.

Als alle lezers nu even naar hun eigen vak kijken, kunnen zij zien dat dat aardig klopt. De wet geldt natuurlijk net zo goed voor kunstenaars als voor politici en journalisten. En, haast ik mij eraan toe te voegen, zowel voor figuratief als voor abstract werkende kunstenaars. Ook voor conceptuele? Dat zou ik niet durven zeggen - die vallen misschien onder de beroepen die Kraaijpoel van zijn wet uitzondert, zoals astrologen en handlijnkundigen, waar alléén maar zwendelaars werken.

Hoe dan ook, er is veel slechte kunst onder de zon. Wie alleen maar vindt dat kunst moet, omdat het zo belangrijk is, zo goed voor de mensen, schept een sfeer waarin niemand meer durft te zeggen dat een schilderij slecht is, een kunstwerk nep, een tentoonstelling ondermaats. Dan zakt alles weg in een plechtige brij van serieus genomen pretenties - hoewel niet zo serieus als die van politici en wetenschappers, waarover immers wel vernietigend mag worden geschreven.

Galeriehouders en conservatoren, kunstenaars in alle genres, ze moeten wel een beetje weerwerk krijgen. Al was het maar door eens een kritische vakgenoot aan het woord te laten. Zoals onlangs in deze krant, toen de conservator van het museum van Oostende zomaar hardop over de Manifesta in Rotterdam mocht zeggen: men krijgt van mij een nul. Dat was verfrissend om te lezen. Want als nooit iemand een nul krijgt, verliezen de tienen ook hun betekenis.