Kabaal over aftrekposten schaadt fiscaal regime

Kamerlid Rick van der Ploeg schetste in NRC Handelsblad van 5 oktober de PvdA-visie op de toekomst van het belastingstelsel. Een boeiend betoog, aldus Leo Stevens, vooral door de gepassioneerde ongenuanceerdheden. Wat minder lawaai en wat meer bedachtzaamheid zouden geen kwaad kunnen.

Ik heb er begrip voor dat politici, zeker als de verkiezingskoorts de kop begint op te steken, ferme uitspraken doen, maar ze moeten toch voldoende draagvlak behouden om de geloofwaardigheid van de politiek overeind te houden.

Met name zijn voorstel om voor aftrekposten, zoals de hypotheekrente, te komen tot een heffingskortingsysteem, waarin de aftrek slechts tegen het tarief van de eerste tariefschijf van 37,5 procent wordt verrekend, gaat zo vervaarlijk kort door de bocht dat ik het bange gevoel krijg te worden bestuurd door een brokkenpiloot. Ik ken Van der Ploeg echter als verstandig econoom, en ga er derhalve voorshands van uit dat zijn denkbeelden genuanceerder zijn dan zijn politiek uitdagende kretologie en dat hij door zijn woordgebruik in feite slechts uitdaagt tot debat. Daarom ook deze reactie.

Van der Ploeg bepleit in de volgende kabinetsperiode te komen tot een “analytisch” belastingstelsel waarbij afzonderlijke inkomensbronnen apart worden belast. Dit zou het aantal constructies beperken. Hij meent dat dit mogelijkheden creëert voor de totstandkoming van een transparant systeem, waarin mensen hun gedrag minder gaan afstemmen op de belastingen.

Dit is een misvatting om tweeërlei redenen. Ten eerste is een analytisch stelsel als zodanig moeizamer in te passen in de ook door hem bepleite draagkrachtideologie, omdat door de afzonderlijke fiscale regelingen de maatstaf van draagkracht verloren gaat. Een coherent inkomensbeleid is dan veel moeilijker te verwezenlijken.

Ten tweede is het juist de politiek zelf die het belastinggeld in toenemende mate gebruikt als stuurgeld en het belastingstelsel inzet als instrument van overheidsbeleid. Als men zich daarenboven realiseert dat de collectieve-lastendruk voor 1996 44,6 procent bedraagt, mag het geen verbazing wekken dat de fiscaliteit onze maatschappelijke verhoudingen in grote mate mede bepaalt. Ons zakelijke en persoonlijke leven blijkt verfiscaliseerd. Zo wordt de keuze om al of niet te trouwen, de voorkeur voor een huur- of koopwoning en de aard van de bijpassende hypotheek, de keuze voor het ondernemerschap of de werknemerstatus, mede fiscaal bepaald.

Ook in de te volgen bedrijfsstrategie blijkt de fiscale wetgeving veelal een doorslaggevende factor te zijn. De keuze van de rechtsvorm, de concernstructuur, de financierings- en beleggingsinstrumenten, de vestigingsplaats en de vormgeving van de distributieketen wordt immers in hoge mate bepaald door de fiscale context waarbinnen een ondernemer opereert.

Talloze regels en prikkels zijn in het fiscale stelsel expliciet ingebouwd om de gedragingen van de burger te beïnvloeden. Ik zou deze hele krant kunnen volschrijven met voorbeelden daarvan. Met deze instrumentalisering is ook niets mis, mits men maar onder ogen ziet dat de daaruit voortvloeiende gedetailleerde regelgeving haaks staat op het streven naar eenvoudige en doorzichtige belastingwetgeving. Ook plegen belastingprikkels de belastinggrondslag te versmallen en bij gelijkblijvende opbrengstbehoefte tot tariefsverhoging te leiden.

Enerzijds heeft Van der Ploeg deze grondslagerosie als probleem onderkend. Anderzijds schrijft hij als slogan voor het belastingstelsel op de binnenkant van zijn hand dat het “groener en socialer” moet. Ik wil thans onder zijn aandacht brengen dat de reeds doorgevoerde “vergroeningsmaatregelen” zelfs voor fiscalisten langzamerhand de contouren beginnen aan te nemen van het ondoordringbaar regenwoud dat waarschijnlijk moest worden gekapt om alle regels te kunnen publiceren.

Ook dient elke beleidsmaker zich te realiseren dat de maakbaarheid van de samenleving en de robotisering en digitalisering van de burger zijn natuurlijke grenzen kent. De burger zal het belastingrecht steeds minder als recht ervaren, maar als overheidsdirigisme en daarop averechts reageren door ontwijkingsgedrag en (desnoods) door fraude. Politici zouden zich deze van deze weerstanden meer bewust moeten zijn.

De opvatting van Van der Ploeg dat alle mensen die afstuderen als fiscaal econoom of belastingadviseur gewoon een nuttige studie kunnen gaan doen, zegt waarschijnlijk meer over hemzelf dan over de fiscale opleidingen in Nederland. Aan onze faculteit worden de studenten niet opgeleid om een fiscale trukendoos uit te venten, maar wordt in alle onafhankelijkheid gedacht en gesproken over fiscale concepten die kunnen voldoen aan de kenmerken waaraan elk belastingstelsel moet voldoen: rechtvaardig, effectief en efficiënt werkend. Zodoende plegen we onze maatschappelijke verantwoordelijkheid waar te maken. En daarin past ook deze poging om de huidige schreeuwerige discussie tussen coalitiegenoten tot een meer bedachtzame standpuntbepaling terug te brengen.

Onnodig scherp en polariserend is ook de discussie die is losgebrand over de verlaging van het toptarief van de inkomstenbelasting. Ik acht de rechtsgrond van de vermogensbelasting en de handhaving van het toptarief van de inkomstenbelasting op 60 procent, als via fiscale transformatieprocessen beduidend lagere tarieven binnen handbereik liggen, discutabel. Als een dergelijk proces is ingebed in het streven de bestaande tekortkomingen van het fiscale inkomensbegrip weg te werken, moet daarvoor een breed politiek draagvlak gevonden kunnen worden.

Uiteraard kan een politicus niet voorbijgaan aan de maatschappelijke reacties die een dergelijk voorstel zal oproepen. Voor de sociaal-democratische vleugel in de paarse coalitie lijkt het mij lastig uit te leggen, hoe zeer ook juist, dat een dergelijke belastingmaatregel vanwege haar welvaartbevorderend effect ook de laagstbetaalden ten goede kan komen.

Immers, op basis van datzelfde argument heeft de afbraak van de sociale zekerheid zich in zodanig rap tempo voltrokken dat de electorale pijngrens daar dicht genaderd is. Die omstandigheid maakt het beleidsdilemma rond de vermogensbelasting en de verlaging van het toptarief in de inkomstenbelasting nog groter dan het al was.

Daarom acht ik het onverstandig dat Bolkestein eerder op zo'n hoge toon een dergelijke belastingaanpassing vorderde. Het is contraproductief en ontregelt het proces van belastinghervorming dat staatssecretaris Vermeend (Financiën) heeft ingezet. Momenteel wordt gewerkt aan een betere stroomlijning van het fiscale regime van aandelen die als een aanmerkelijk belang worden aangemerkt.

De dividenduitdelingen op deze aandelen krijgen na 1 januari 1997 een aantrekkelijk 25 procents-tarief in plaats van de huidige progressieve belasting, waarmee een belangrijke verlichting is gevonden voor de lang bekritiseerde economische dubbele heffing van dividenden. Daar staat echter tegenover dat het wetsvoorstel de thans bestaande oneigenlijke gebruiksmogelijkheden in de kiem worden gesmoord.

In zo'n evenwichtige context zou ook de afschaffing van de vermogensbelasting en verlaging van het toptarief van de inkomstenbelasting tot 50 procent, politiek bespreekbaar moeten zijn. Niet primair om een op de achterban afgestemd voordeel in de wacht te slepen, maar om te komen tot een vereenvoudigd, evenwichting en internationaal beter concurrerend, belastingstelsel.

Eerder heb ik gesuggereerd daarvoor de tariefstructuur van de inkomstenbelasting aan te passen. Als wordt overgeschakeld op een voor iedereen gelijk belastingkortingbedrag van bijvoorbeeld 37,5 procent in plaats van de huidige belastingvrije som (waarin de belastingwaarde afhankelijk is van de hoogte van het toptarief), zouden ook de inkomenseffecten van zo'n operatie aanvaardbaar zijn.

De tot politiek tumult leidende suggestie van Van der Ploeg om de belastingkortingsystematiek op basis van 37,5 procent toe te passen op aftrekposten, zoals de hypotheekrenteaftrek, lijkt inmiddels weer te zijn ingetrokken. Maar dergelijke ondoordachte uitspraken geven wel voedsel aan het oude wantrouwen omtrent de toepassing van de belastingkortingsystematiek. Tegenstanders van deze methode hebben steeds aangevoerd dat bij aanvaarding deze benadering zal doorslaan naar de aftrekposten waar die niet thuis hoort. Van der Ploeg bevestigt dit wantrouwen.

Ook in ander opzicht is zijn benadering van de hypotheekrenteaftrek te betreuren. Als er al sprake is van fiscale bevoordeling van de eigen-woningbezitter, dan zit dit voordeel niet primair in de aftrekbaarheid van de hypotheekrente, maar eerder in het relatief lage huurwaardeforfait.

Vanwege de diversiteit van onderling samenhangende belastingen rond de eigen woning is het niet verstandig er zonder oog voor die samenhang een regeling uit te pikken en daarover vergaande en ingrijpende standpunten in te nemen.

Kijk, en dergelijke samenhangen komen op onze fiscaaleconomische colleges wel aan de orde. Bij dezen is Van der Ploeg uitgenodigd een dergelijke studiebijeenkomst bij te wonen om zich ervan te kunnen vergewissen dat fiscale economie een nuttige en boeiende opleiding is.