Jacques Brel 1929-1978; In deze man verliest ze een liefde

De lijst van popmusici die voortijdig en op het hoogtepunt van hun roem overleden is lang. Elk van hen heeft een zwanezang, een laatste opvallend nummer. Vandaag 'Orly' van Jacques Brel, die precies 18 jaar geleden stierf in een ziekenhuis bij Parijs.

Het is het droevigste afscheidslied dat ik ken.

In de vertrekhal van een groot vliegveld, vlak voor een point of no return, staan een man en een vrouw tegenover elkaar. Ze zijn doorweekt - van de regen die ze net getrotseerd hebben, van het zweet dat hen in de klamme atmosfeer uitbreekt, van de tranen die ze niet kunnen bedwingen. Blind en doof voor hun omgeving voeren ze een treurige choreografie op: ze omhelzen elkaar, ze maken zich van elkaar los, ze raken elkaar weer aan, ze vallen elkaar in de armen, ze scheuren zich van elkaar los. Dan vlucht de man bruusk weg; zonder nog om te kijken verdwijnt hij, 'opgeslokt door de trap'. De vrouw blijft achter, ze kan het niet opbrengen om zich om te draaien en weg te lopen.

Niemand die luistert naar het chanson 'Orly' zal eraan twijfelen: dit is geen afscheid voor een maand, voor een jaar, dit is een afscheid voor het leven. Zoals de zanger van het lied het formuleert: 'Elle a perdu des hommes/ Mais là elle perd un amour'. En de zanger kan het weten. Hij is het die de twee geliefden van een afstand gadeslaat. Door zijn ogen zien we hun verdriet; hij interpreteert hun gezichtsuitdrukkingen. Het lijkt alsof hij ze kent, die twee; misschien is hij wel verliefd op de vrouw en realiseert hij zich hier, op dit Parijse vliegveld, dat hij nooit zo'n indruk op haar zal maken als de man die nu door de douane gaat. Het van melancholie en eenzaamheid doortrokken refrein van zijn lied ('Verdomme wat is het triest, Orly op zondag') geldt dan niet alleen het scheidende koppel, maar ook hemzelf.

De zwarte romanticus Jacques Brel - door zijn nonconformisme en zijn invloed op onder meer Bob Dylan en David Bowie de enige Franse chansonnier met een rock 'n' roll-imago - schreef 'Orly' in 1977. Het was een van de liederen die hij in september van dat jaar opnam voor zijn comeback-album Les Marquises. In de negen jaar daarvoor had Brel nauwelijks chansons gecomponeerd; hij had zich toegelegd op acteerwerk in musicals (L'homme de La Manche) en films van onder anderen Marcel Carné, Edouard Molinaro en Claude Lelouch. Sinds november 1974, toen zijn linkerlong was weggehaald om uitzaaiing van een kankergezwel te voorkomen, was zijn leven beheerst door operaties en andere medische behandelingen. Uiteindelijk zou Brel sterven op 9 oktober 1978; na maandenlange therapieën om een nieuwe tumor in zijn overgebleven long terug te dringen.

Les Marquises, dat elf maanden voor Brels dood werd uitgebracht, laat zich beluisteren als het meesterstuk van een man die weet dat hij stervende is. Veel adem moet hij niet over hebben gehad - zijn aangetaste long verhinderde hem zelfs om meer dan drie takes per chanson in te zingen - maar het is hem niet aan te horen. In 'Les F...' ('Les Flamingants') rekent de in Brussel geboren zanger à titre personnel af met zijn Vlaamse landgenoten - 'nazi's tijdens de oorlogen en katholiek ertussenin'. In 'Vieillir' spreekt hij zichzelf moed in met de constatering dat oud worden altijd nog erger is dan doodgaan. In 'Jojo' bezingt hij de dood van zijn beste vriend, die in augustus 1974 was overleden. En in het titel- en slotnummer 'Les Marquises' brengt hij een verstilde ode aan de Frans-Polynesische eilandengroep waar hij telkens weer naar terugkeerde omdat daar de tijd gracieus tot stilstand was gebracht.

De laatste plaat van Jacques Brel is een afscheid in twaalf liedjes. En 'Orly' is het pièce de milieu. De vier minuten durende ballade heeft een tekst die in de eerste regels ('Er zijn er meer dan tweeduizend/ En ik zie alleen die twee') je hart in gaat en vervolgens alle gevoelige snaren raakt. Zoals in de allerbeste liederen van Brel - 'Ne me quitte pas', 'La chanson des vieux amants' - wordt de melancholie verscherpt door de muziek. In de eerste coupletten wordt Brels venijnig-donkere timbre begeleid door simpele gitaarakkoorden; alleen het refrein wordt aangezet door een strijkorkest. Daarna neemt het orkest op de achtergrond de rol van de gitaar over en klinken zelfs ijle trompetjes. En wanneer de zanger zijn verhaal heeft verteld, en constateert dat hij niets voor de verlaten vrouw kan doen, lijkt het alsof we terecht zijn gekomen in een dodenmars.

Brels 'Orly' is geen romantiek met een monter accent, zoals die andere beroemde afscheid-op-het-vliegveldscène, in Casablanca. Het is een langzame danse macabre die duidelijk maakt dat weggaan soms hetzelfde als sterven is. Als er iets pijn doet, lijkt de doodzieke Brel te willen zeggen, dan is 't het snijden - veel meer dan het afgesneden zijn.