Een halve meritocratie

Tot de boeken waarvan de titel langer voortleeft dan de inhoud hoort Michael Young's The Rise of Meritocracy. Niet verdiend, want 38 jaar nadat het is verschenen is dit 'essay over opvoeding en gelijkheid' nog altijd zeer leesbaar; een vernuftige, herkenbare, overwegend politieke satire.

Zoals de meeste boeken in het genre geeft ook dit boek een beeld van een toekomst waarin bepaalde trekken, die ten tijde van het schrijven al markant aanwezig en in ontwikkeling waren, de samenleving tot in het absurde zullen beheersen. Bij Young is het de intelligentie, in die zin dat de mensen met de meeste hersens, niet meer gehinderd door oude sociale omstandigheden, afkomst, welstand, in het jaar 2058 de baas zullen zijn.

Er moesten, leert Young, heel wat obstakels worden overwonnen voor het zover was. Om een voorbeeld te noemen: er ontstond een zwarte markt waarop ouders van de traditioneel bevoorrechte klassen baby's met een gegarandeerd hoge kwaliteit hersens konden kopen als ze zelf niet in staat waren, tot behoud van hun dynastie, de nodige slimheid voort te brengen. Het socialisme van de oude stempel, met zijn onbruikbaar en onhoudbaar gelijksheidsideaal moest worden overwonnen. In het algemeen: de meritocratie van 2058 was niet in een vloek en een zucht gebouwd, en toen het eenmaal zover was, bleek het een wrede klassemaatschappij te zijn.

Youngs boek draagt de sporen van de tijd waarin het is ontstaan. Er waren geen computers, de gigantische ontwikkeling van de televisie moest nog beginnen, er was geen 'media-industrie' die floreert door de mensen half dom te houden zonder dat ze er arm van worden, zodat ze in staat blijven de geadverteerde producten te kopen. Aan het woord 'arbeidersklasse' werd over het algemeen nog een traditionele betekenis gehecht: dichter bij het proletariaat dan bij het midden. De Koude Oorlog is bij Young de motor van de wedijver die het ontstaan van zijn meritocratie bevordert. Hij heeft zijn boek geschreven toen nog geen mens wist wat er met een 'postindustriële samenleving' wordt bedoeld. Dat The Rise of Meritocracy nog zo leesbaar is, dankt het behalve aan zijn vernuft ook aan de nieuwe actualiteit van het conflict tussen het individueel verschil in talent en de opvatting van fundamentele gelijkheid. Daarop bloeit de demagogie.

Om eens een grof geval te noemen: een jaar geleden ongeveer, toen hij zich nog de machtige revolutionair van de Verenigde Staten waande, heeft Newt Gingrich voorgesteld ieder Amerikaans kind een computer te geven. Het was eigenlijk het concept van de Volkscomputer. Het idee is vlug vergeten, en het was dan ook niet de moeite waard, behalve dat hij het combineerde met allerlei andere denkbeelden over sociale voorzieningen die, verwezenlijkt, een meedogenloze bevordering van de materiële ongelijkheid tot resultaat zouden hebben gehad. Maar een computer dient in deze denkwijze als een magisch instrument van intelligentie kortweg, en dus automatisch tot de verheffing van allen. Je zou ook ieder kind een viool kunnen geven ter bevordering van de algemene nationale muzikaliteit.

Minder grof pakt de nieuwe leider van Labour, Tony Blair, het aan. Het Verenigd Koninkrijk, zegt hij, moet de nieuwe wereldmacht van kennis en vooruitgang worden. Daartoe heeft hij een omvangrijk onderwijsprogramma ontworpen, waarbij The Economist heeft aangetekend dat het pas over decennia economisch vrucht zal dragen, als tenminste een meerderheid bereid zou zijn er nu voor te betalen. Intussen is het zwaartepunt van het socialistisch programma verschoven naar het midden en vertoont het opmerkelijke verwantschap met wat de Conservatieven wilden vóór Margareth Thatcher de ideologie daar ging bepalen. Deze beweging doet weer denken aan die van de Amerikaanse Democraten: ook naar het midden en wel zó ver, dat ze door de gematigder Republikeinen van politiek plagiaat worden beschuldigd.

Uit een politieke beweging naar het midden (ook door Paars in Nederland tot stand gebracht), in combinatie met een nadruk op een hoge kwaliteit onderwijs, ontstaat op den duur iets dat aan een halve of driekwart meritocratie zal doen denken. Het midden laat namelijk in deze gedepolitiseerde tijd per definitie al de onderste laag van de bevolking zo ver los dat die in een soort geminimaliseerde staatscharitas belandt. Overal in de Westelijke wereld is dat in meerdere of mindere mate het geval. Intussen wordt het onderwijs tersluiks tot een goed op de vrije markt. De kapitaalkrachtigsten kopen voor hun kinderen de beste scholing. Zo ontstaat een toestand waarin de meritocratie tot de middenklassen beperkt blijft, terwijl de onderste laag zich steeds verder van deze dikke, eigenlijk niet meer in klassen denkende bovenbouw verwijdert.

Onderwijs kan op betrekkelijk korte termijn worden georganiseerd. De resultaten hangen af van de mate waarin de kinderen voor het onderwijs ontvankelijk zijn. En dom of slim, de kinderen van de bovenlaag zijn ongeacht hun individuele intelligentie altijd ontvankelijker, nemen dankzij het milieu waarin ze opgroeien gemakkelijker kennis op dan die van de sociaal lagere orde. In een driekwart meritocratie continueren twee afdelingen van de samenleving zichzelf. Dat is in wezen de conclusie waartoe Michael Young in een andere tijd onder andere omstandigheden ook al was gekomen, merkwaardigerwijs een redenering volgend die niet zoveel verschilt van deze.