Een bijzonder schrijversportret

Zelden zal er een intiemer filmportret van een schrijver zijn gemaakt dan de documentaire Noem het slaap over de Amerikaanse schrijver Henry Roth, die het Humanistisch Verbond gisteren uitzond. De makers, Peter Lataster en Petra Lataster-Czisch, hadden toestemming gekregen de zieke schrijver enkele maanden voor zijn dood te volgen.

Volgen? Het is in dit verband een groot woord. Roth, een stokoude, reumatische man, kon zich nauwelijks meer bewegen. Hij werd in een rolstoel rondgereden door een nogal rauwe (“Die ouwe zeikt als een stier”), maar niet onhartelijke verpleger die hem thuis dag en nacht verzorgde.

De Latasters moeten het volledige vertrouwen van de teruggetrokken levende schrijver hebben gewonnen. Hij toonde geen enkele reserve, de wereld mocht zien hoe hij worstelde met de verschrikkingen van zijn ouderdom. “Wat je ook eet”, zei Roth, “er is geen voedsel dat ervoor zorgt dat je niet oud wordt, en dat is de ergste ziekte.”

Roth leek er zelfs enig behagen in te scheppen ons te laten zien hoe hels dat kan zijn: oud worden. We zagen hem met een urinaal in de weer en op een bepaald moment gaf hij een soort demonstratie, waarna we zijn plas vrolijk (nou ja) hoorden klateren. “Wat moet ik toch veel tijd verspillen”, zuchtte de schrijver, “zo dichtbij het einde, wat belachelijk.”

Toch heb ik me als kijker geen moment een voyeur gevoeld bij deze documentaire. Aan alles was te merken dat Roth het zó gewild had. Hij praatte als iemand die zijn leven als een nederlaag geaccepteerd had, er hoefden nergens meer doekjes om gewonden te worden. Een grote gelatenheid had bezit van hem genomen, en hij keek zonder een spoor van zelfverheffing terug.

Een bizar schrijversleven. Debuteren - in 1934 - met een belangrijke roman (Call It Sleep) en vervolgens dertig jaar met een massief writer's block worstelen - een grotere kwelling kan een schrijver zich niet voorstellen. Pas in 1964, toen Call It Sleep werd herontdekt en alsnog een bestseller werd, begon Roth aan een come-back.

De verdienste van de filmers was dat ze zich niet beperkten tot de dagelijkse beslommeringen van een stervende man. In een aantal interviewflarden vingen we ook glimpen op van de autobiografische werkelijkheid achter de boeken van Roth.

“Ik was een slachtoffer van de maatschappij”, zei hij, “en van mijn vader. Hij was gek, infantiel, hij sloeg me. Hij wilde succes, zoals de meeste joodse immigranten, ik niet. Hij strafte me daarvoor, het was vreselijk. Ik werd uit de familie gestoten. Dat had nooit mogen gebeuren.”

Zoals zo vaak gebeurt, bleek Roth de fouten van zijn vader ten dele herhaald te hebben. Hij bekende dat hij geen goede vader was geweest voor zijn zonen. “Ik haatte een van hen omdat hij er joods uitzag (...) Ik had een dochter moeten hebben.”

Cruciaal was zijn bekentenis dat hij in zijn jeugd een incestrelatie met zijn zus had gehad. “Het was een van de ergste dingen die je kon doen. In onze maatschappij wordt incest beschouwd als zonde, misdaad.” Hij gaf, bijna met zoveel woorden, aan dat de incest de oorzaak van zijn latere onmacht als schrijver was geweest: hij wilde, maar kon er niet over schrijven. Dat zou hem pas na zijn herontdekking lukken.

De makers hadden hun film doorsneden met prachtige beelden van Albuquerque in New Mexico, de laatste woonplaats van Roth. De droge hitte, de bergen in blauwe nevels - het versterkte de sfeer van verlatenheid die rond Roth hing. Eigenlijk zagen we de schrijver maar op één moment een beetje opleven. Hij hing achter zijn computer, met die misvormde klompen van handen, en hij zei: “Ik kan weer schrijven.”