Crijns' 'documentaires' geestige mystificaties

Lap rouge, voorafgegaan door Kutzooi. Regie: Lodewijk Crijns. In Amsterdam, Kriterion; Haags Filmhuis.

Stel, je hebt nog nooit gehoord van de veelbekroonde pseudo-documentaires van Lodewijk Crijns, en je ziet toevallig zijn eindexamenfilm Lap rouge - over een excentrieke dame die sinds 1959 met haar twee wereldvreemde zoons in een Frans gehuchtje woont. Op welk moment zou je dan doorhebben dat je voor het lapje wordt gehouden?

Waarschijnlijk nog niet wanneer moeders haar grijsbebaarde zoons ten overstaan van cameraman en interviewer 's avonds in de tobbe stopt - per slot van rekening verblijven er op het Franse platteland wel meer dominante heksen. Misschien ook nog niet wanneer de moeder een kast opendoet en de camera laat inzoomen op een weckpot met het embryo van haar veel te vroeg geboren liefdesbaby. Maar ongetwijfeld wel wanneer - na iets meer dan een half uur film - de twee zoons de weckpot leeghalen om de foetus bij wijze van verrassing voor moeder op helder sterk water in een sierfles te zetten.

Lap rouge, waarvoor de 26-jarige Crijns onder meer de Tuschinski Award voor het beste eindexamenprodukt van de Nederlandse Film en Televisieacademie kreeg, is een crescendo van absurdisme. Maar net als in de 30-minutendocumentaires van Ederveen en Kramer wordt consequent vastgehouden aan de grammatica van de human interest-documentaire. Er is een dramatische lijn (de ongelukkige liefde van de twee onderdrukte broers voor een dorpsmeisje, dat als een “lap rouge op een stier” werkt); de beeldkwaliteit heeft te lijden van het feit dat er tijdens achtervolgingen en handtastelijkheden gewoon wordt doorgefilmd; en de geïnterviewden krijgen af en toe genoeg van de schijnbaar altijd aanwezige camera.

Het is een procédé dat al eerder door Crijns werd toegepast in zijn nu samen met Lap rouge vertoonde halfuursfilmpje Kutzooi (1995). Hierin worden drie spijbelende jongens gevolgd door een zuigende interviewer (type Frans Bromet), die min of meer onbewust het gedrag van zijn studieobjecten beïnvloedt. Het cinéma vérité-karakter wordt hierbij nog versterkt door de groezelige zwart-witbeelden van desolate fabrieksterreinen en spoorwegemplacementen en de bij documentairemakers zo populaire jazzsaxofoon op de achtergrond.

Je kunt Kutzooi en Lap rouge beschouwen als intelligente commentaartjes op de steeds vager wordende grens tussen fictie, documentaire en reality tv. Je kunt zelfs filosoferen over de gevaren van het zonder waarschuwing vertonen en uitzenden van dit soort videofilms. Maar het werk van Lodewijk Crijns moet in de eerste plaats gezien worden omdat het zo geestig is. Wie niet weet dat het fake is, valt om van verbazing. Wie gewaarschuwd is, zal geregeld in de lach schieten. Is het niet om de droefkomische situaties in Lap rouge, dan toch zeker om de zogenaamd nihilistische dialogen-met-de-interviewer in Kutzooi: “Jongens, waarom heeft Leto zijn sleutels in de bosjes gegooid?” “Gewoon, om te kijken of-ie ze weer terugvindt.”