Bepaalde tendens in de Nederlandse producentenfilm

De zeemeerman. Regie: Frank Herrebout, (dialogen) Arnold Gelderman. Met: Daniël Boissevain, Gonny Gaakeer, Angelique de Bruijne, Frans van Deursen, Jérôme Reehuis, Huub Stapel. In: 65 theaters.

Naar analogie van wat er rond 1960 in Frankrijk gebeurde (met een schotschrift in de Cahiers du Cinéma), begint een nieuwe generatie jonge en/of onafhankelijke filmmakers zich nu ook in Nederland af te zetten tegen 'een bepaalde tendens' in de nationale speelfilm. Ook wij hebben sinds kort een 'cinéma de papa' en het vlaggeschip van die ouderwetse producentencinema heet De zeemeerman. Nominaal geregisseerd en geschreven door regisseur Frank Herrebout (van wie sinds zijn eindexamen in 1984 weinig meer vernomen werd), is de 'familiekomedie' in alle opzichten een producentenfilm: met zijn jarenlange ervaring heeft Rob Houwer er veel aan gedaan (een complete nasynchronisatie, die technisch het een en ander te wensen overlaat; toevoeging van dure digitale trucages) om de Nederlands-Belgisch-Duitse coproduktie met een voor Nederlandse begrippen hoog budget van 5,5 miljoen gulden te redden. Het is echter van meet af aan een verloren zaak; van dit scenario en deze vooronderstellingen over de wansmaak van het grote publiek valt weinig meer te maken.

Het verhaaltje wil dat een krankzinnige professor (Jérôme Reehuis) een menselijk embryo implanteert in een zeeleeuw. Negen maanden later halen de vissers Simon en Pedro een mannelijke baby uit zee, die niet over het water leert lopen, maar wel penetrant naar vis stinkt. Als 18-jarige blijkt de zeemeerman (Daniël Boissevain) ondanks zijn geurtje toch een aantrekkelijke partij voor jongedames. De inmiddels bejaarde professor schenkt hem toverkorrels, waarmee hij niet alleen de stank bestrijdt, maar ook onzichtbaar wordt en zo in staat geraakt om al zijn puberdromen uit te leven. Rond dit stramien werden talloze losse sketches met steeds andere bekende Nederlanders in gastrolletjes gedrapeerd, waarin onder veel meer een lichtgevend condoom los door de slaapkamer zweeft, de verwaarloosde vriendin van een projectontwikkelaar uit bed roept: “Ik ben aan de beurt, ik ben een vrouw, geen onroerend goed” en een van Elvis Presley dromend buurmeisje tegen de jukebox oprijdt.

Er zijn een paar lichtpuntjes in deze litanie van banaliteiten: het naturel acteren van debutante Gonny Gaakeer in een flauwe dubbelrol, de fysieke aantrekkingskracht van hoofdrolspeler Daniël Boissevain (helaas soms onzichtbaar), de overtuigende trucage-effecten. De zeemeerman is net niet de meest ranzige en platvloerse Nederlandse speelfilm van de laatste tien jaar (dat was Houwers De gulle minnaar). De film staat wel degelijk in een traditie van quasi-commercieel denken in de Nederlandse filmproduktie, van andere pogingen om het vermeende publiek naar de mond te praten als Honneponnetje en Donna! Donna!. De tragiek van Houwer is dat hij, ondanks het inhuren van een jonge, kennelijk slecht tegen zijn taak opgewassen regisseur, niet met zijn tijd meegegaan is. Zelfs het door de commerciële televisie aan wansmaak gewende publiek zal niet meer naar de bioscoop komen voor dit staaltje van katjes in het donker knijpen. Hoop ik althans, opdat de Hollandse producentencinema eindelijk eens een lesje leert. Maar je weet het maar nooit: ook de in hun wanstaltigheid vergelijkbare films met Jim Carrey bleken nog op liefhebbers te kunnen rekenen.