Omwenteling voor Finanzplatz Schweiz

Zwitserse bankiers hebben veranderingen lang aan zich voorbij laten gaan. Stabiliteit, discretie en neutraliteit zijn de onvergankelijke kwaliteiten van Finanzplatz Schweiz. Maar aardverschuivingen in het internationale bankwezen laten de bergstaat niet langer ongemoeid en binnenlandse activiteiten moeten op de helling.

Het bankgeheim ligt onder vuur, aandeelhouders strijden op on-Zwitserse wijze om de macht en vriend en vijand voorzien een golf van ontslagen. “Voor elke drie koeienstallen een bankfiliaal, dat kan niet langer.”

Na vijftig jaar zekerheid en vrijwel onafgebroken groei staat Zwitserland voor problemen. Ongekende problemen waarop we mentaal slecht zijn voorbereid. (...) De voormalig wereldkampioen van het solide financieel beleid stapelt miljardentekorten opeen. Twist en strijd destabiliseren de politieke en sociale consensus. Onzekerheid tiert welig.''

Deze sombere tekst is niet van een wereldvreemde professor of een verstokte criticus van de Zwitserse economie. De woorden zijn van Kaspar Villiger, de Zwitserse minister van Financiën. Hij hield ruim twee weken geleden een toespraak op de jaarlijkse bijeenkomst van de Zwitserse vereniging van bankiers in Bazel. Na afloop van Villigers' speech klonk plichtmatig applaus van zeshonderd in donkergrijs pak gestoken mannen, een enkele vrouw. Toch moeten de harde woorden van Villiger bij hen een gevoelige snaar geraakt hebben.

Wie vluchtig de resultaten bekijkt van de drie grootste Zwitserse banken ziet weinig aanleiding tot zorg. De winsten van Credit Suisse Holding, Union Bank of Switzerland, en Swiss Bank Corporation zijn, na een matig 1994, in het afgelopen jaar met gemiddeld eenderde gestegen. Bankiers kunnen zich echter niet langer door bevredigende cijfers in slaap laten sussen.

De Zwitserse economie zucht onder een recessie. Sommigen zien de banken als hoofdschuldige voor de krimp, die in het tweede kwartaal van dit jaar uitkwam op 0,9 procent. In elk geval worden de banken ook zelf getroffen door de economische teruggang, vooral in hun vastgoedactiviteiten en portefeuilles van leningen aan het midden- en kleinbedrijf. Bergen schermen de Zwitsers niet af van de veranderingen in het internationale bankwezen. “Uw branche bevindt zich in een ingrijpende omwenteling”, hield minister Villiger zijn toehoorders voor.

Aan het einde van de Bahnhofstrasse in Zürich maken juweliers en dure kledingzaken plaats voor grijze kolossen: Eerst het hoofdkantoor van Union Bank of Switzerland aan de Bahnhofstrasse 45. Even verderop aan de Paradeplatz ligt het hoofdkantoor van Credit Suisse schuin tegenover een groot kantoor van Swiss Bank Corporation, waarvan het hoofdkantoor in Bazel staat.

In de volksmond heet het dat onder de Paradeplatz de vermogens van rijke particulieren verborgen liggen. Een woordvoerder van Credit Suisse maakt korte metten met dit sprookje. Alleen onder de bankkantoren zelf liggen kluizen, onder de Paradeplatz ligt niet eens een metro, enkel riolen.

Rijke buitenlandse particulieren hebben naar schatting tussen de 2.000 en 2.500 miljard Zwitserse franken (2,7 tot 3,4 biljoen gulden) in Zwitserland ondergebracht. Daarmee is Zwitserland wereldwijd marktleider met een aandeel van tussen de 35 en 40 procent in het vermogensbeheer voor rijke particulieren.

Het Zwitserse bankgeheim is de belangrijkste verklaring voor deze leidende positie, erkennen bankiers in Zwitserland. “Het bankgeheim is van enorm belang”, zegt directeur G. Staehelin van het Zwitserse kantoor van de Italiaanse Laworo Bank op de bankiersdag in Bazel. “Traditioneel is het de reden waarom onze klanten naar Zwitserland komen.” Vice-voorzitter Alexander Baldwinger van de Japanse Nomura Bank in Zwitserland zegt: “Voor Japanse banken is het bankgeheim de belangrijkste reden dat zij zich in Zwitserland vestigen. Het bankgeheim afschaffen? Dat mag niet gebeuren, het is onze kracht.”

Het legendarische bankgeheim, sinds 1934 in de Zwitserse wet verankerd, heeft in de afgelopen jaren belangrijke veranderingen ondergaan. Zwitserse banken werken mee met buitenlandse strafrechtelijke onderzoeken en banken die onder verdenking staan van opsporingsautoriteiten kunnen op het bankgeheim geen beroep doen. Een commissie die in april volgend jaar een historisch onderzoek zal starten naar de financiële betrekkingen van Zwitserland met Nazi-Duitsland en verdwenen joodse bezittingen krijgt ontheffing van het bankgeheim.

Minister Villiger van Financiën wil, mede onder buitenlandse druk, nog verder gaan. In de jongste versie van zijn wetsontwerp ter bestrijding van de geldwitwasserij worden Zwitserse banken verplicht verdachte transacties te melden. Nu hebben banken nog het recht dit te doen en kunnen zij de rekening van een verdachte cliënt blokkeren. Villiger wil ook niet-banken die financiële diensten verlenen onder de werking van de nieuwe wet brengen.

De bankiers zijn ervan overtuigd dat Villiger niet te ver zal gaan met de inperking van het bankgeheim. Bovendien benadrukken zij dat het bankgeheim niet de enige reden is dat de bergstaat in het vermogensbeheer zo'n dominante positie heeft opgebouwd.

“Het bankgeheim hoort erbij”, zegt directeur R. Breslauer van de Israëlische Mizrahi Bank in Zwitserland. “Maar er is meer. Wij bieden vooral politieke stabiliteit en professionaliteit.” Volgens G. Boschetti, manager commerciële zaken bij de divisie van Swiss Bank Corporation voor het Italiaans sprekende deel van Zwitserland, is de Zwitserse multiculturele samenleving met haar vier officiële talen bij uitstek geschikt voor dienstverlening aan buitenlanders.

“Om het bankgeheim hoeft niemand naar Zwitserland te komen”, zegt hij. “Wij bieden eenvoudigweg de beste diensten.” Terwijl Zwitserland zich in het vermogensbeheer voorlopig handhaaft staan andere takken van het bankbedrijf onder druk. Vooral de thuisbasis van Zwitserse banken is zwaar getroffen door het gebrek aan economische groei in de afgelopen vijf jaar. De Zwitserse vastgoedmarkt is begin jaren negentig volledig in elkaar gestort en herstel is nog nauwelijks waarneembaar. De recessie heeft ook het midden- en kleinbedrijf onder druk gezet. Zwitserse banken treffen al jaren miljardenvoorzieningen voor slechte leningen aan bedrijven en investeringen in vastgoed.

Intussen moeten de Zwitserse banken zich verdedigen tegen critici die vinden dat zij veel te voorzichtig zijn geworden met het geven van nieuw krediet en daardoor mede schuldig zijn aan de stagnerende economische groei. Bankiers leggen deze beschuldiging echter met steeds meer overtuiging naast zich neer. “Het heeft echter weinig zin aan de maatschappelijk economische verantwoordelijkheid van Zwitserse banken te appelleren”, zei voorzitter G. Krayer van de Zwitserse bankiersvereniging in zijn toespraak op de bankiersdag in Bazel. “Gegeven de buitenlandse concurrentie en de krappe marges heeft het Zwitserse bankwezen geen enkele ruimte voor beleid dat niet direct winst oplevert.”

Illustratief voor de opmars van de Angelsaksische normen en waarden is conflict tussen de directie van Swiss Bank Union en grootaandeelhouder Martin Ebner van deze bank dat dit voorjaar is geëscaleerd.Voor het eerst liet een aandeelhouder een Zwitserse bank zijn tanden zien. De strijd tussen Union Bank of Switzerland en Ebner, die via zijn beleggingsfonds BK Vision maximaal ongeveer 20 procent van de aandelen-UBS in handen heeft gehad, resulteerde dit voorjaar zelfs in gesprekken over een fusie tussen Union Bank of Switzerland en Credit Suisse Holding. Een fusie tussen twee of meer van het drietal grote Zwitserse banken was tot dan toe voor volstrekt onmogelijk gehouden.

Sinds ruim vier jaar levert Ebner scherpe kritiek op de zijns inziens matige winstontwikkeling van Union Bank of Switzerland, maar tot voor twee jaar was hij niet meer dan een ontevreden belegger die weinig in te brengen had. Om zijn rendement op te vijzelen bedacht Ebner in 1994 een arbitrage-spelletje met de twee categorieën uitstaande aandelen van Union Bank of Switzerland. Ebner kocht op grote schaal geregistreerde aandelen-UBS en verkocht aandelen-UBS aan toonder in de verwachting dat voorzitter Nikolaus Senn van de raad van beheer, feitelijk topman van het concern, zou besluiten de tweedeling in de uitstaande aandelen op te heffen.

Senn stelde aandeelhouders van Union Bank of Switzerland in november 1994 inderdaad voor een aandelencategorie te schrappen. Hij wilde echter niet de aandelen aan toonder afschaffen, zoals veel Zwitserse ondernemingen eerder hadden gedaan en Ebner had verwacht, maar juist de geregistreerde aandelen. Ebner, die op dat moment 18 procent van de geregistreerde aandelen in handen had, was woedend. Op een bijzondere aandeelhoudersvergadering werd desondanks nipt met het voorstel van Senn ingestemd.

Vanaf dat moment laaide het conflict hoog op. Ebner stapte naar de rechter. Volgens hem had bestuursvoorzitter Robert Studer van Union Bank of Switzerland de stemming over de aandelen gemanipuleerd.

In de jaren daarna bestookte Ebner het management van Union Bank of Switzerland met een spervuur van rechtszaken. Hij beschuldigde UBS-topmanagers zelfs van criminele activiteiten.

In de loop van 1995 en begin 1996 verzamelde Ebner gelijkgezinde institutionele beleggers om zich heen. Samen met hen wilde hij op de aandeelhoudersvergadering van 16 april de opvolging blokkeren van Senn als voorzitter van de raad van beheer door Studer. De gemoederen liepen opnieuw hoog op. In dit verhitte klimaat zag topman Reiner Gut van Credit Suisse Holding zijn kans schoon. Twee weken voor de aandeelhoudersvergadering belde hij zijn collega Senn van Union Bank of Switzerland, met een voorstel tot fusie van beide banken. Daarmee zou het probleem-Ebner uit de wereld geholpen zijn.

Het telefoongesprek tussen Gut en Senn lekte uit naar de pers. “Credit Suisse wil macht over Swiss Bank Corporation”, kopte het progressieve dagblad de Tages Anzeiger op 9 april van dit jaar. Daarnaast stond een vlammend commentaar onder de kop 'Gemene afpersing' waarin de krant Credit Suisse-topman Gut beschuldigde van een poging tot misbruik van de situatie, en op het enorme banenverlies wees dat het gevolg zou zijn als de fusieplannen zouden doorgaan.

Ebner, de institutionele beleggers die hij om zich heen heeft verzameld en Gut werden gebrandmerkt als botte saneerders die de stabiliteit van het Zwitserse bankwezen in gevaar brengen. De fusie ging niet door en voor het oog van miljoenen televisiekijkende Zwitsers verloor Ebner op de aandeelhoudersvergadering van 16 april ook de strijd tegen het UBS-bestuur en de aanstelling van Robert Studer. Ebner kreeg niet meer dan veertig procent van de stemmen achter zich.

De kans op een fusie tussen twee of meer van Zwitserland grootste banken lijkt na de affaire-Ebner voorlopig verkeken. “Dat is absoluut onmogelijk”, zegt Peter Buttliger, tweede man van de Japanse Okasan Bank in Zwitserland. “Het heeft veel te veel maatschappelijke en sociale consequenties.” Een fusie tussen een grote Zwitserse bank en de Zwitserse PTT of een verzekeraar ligt volgens hem meer voor de hand. “Een fusie tussen de grote banken is op korte en middellange termijn uitgesloten”, verklaarde onlangs ook Bruno Hug, bestuurslid van Swiss Bank Corporation tegen het tijdschrift Banque & Finance.

Boschetti, van dezelfde bank is minder stellig. “Het lijkt uiterst onwaarschijnlijk”, zegt hij. “De tijd is niet rijp voor een fusie, maar dat zeiden we een paar jaar geleden ook over Ciba-Geigy en Sandoz.” (Beide ondernemingen zijn dit jaar gefuseerd tot Novartis, red.) “Duidelijk is in elk geval dat kleine banken zich niet kunnen handhaven, de consolidatie in de branche gaat verder”, zegt Boschetti.

Financier Martin Ebner heeft een slag verloren, maar is niet verslagen. Zijn Angelsaksische visie wint terrein. Nog steeds vindt Ebner het rendement op het geïnvesteerd vermogen dat de grote banken behalen abominabel. Hij acht een rendement van omstreeks 15 procent realistisch, terwijl Union Bank of Switzerland, Credit Suisse-Holding en Swiss Bank Corporation in 1995 een rendement behaalden van tussen de zeven en negen procent. Ebner's belangrijkste suggestie om dit doel te bereiken is dat banken de binnenlandse dienstverlening aan particulieren en midden- en kleinbedrijf (retail), moeten afbouwen en zich moeten concentreren op buitenlandse expansie en winstgevende activiteiten als het vermogensbeheer. Deze suggestie, die gepaard zou gaan met een verlies van vele duizenden banen, wordt door veel Zwitsers verafschuwd.

Toch ontkomen de grote banken door de matige rentabiliteit van de retail-activiteiten niet aan scherpe personeelsreducties. De werkgelegenheid in het Zwitserse bankwezen bereikte in 1990 een hoogtepunt met 120.000 banen. Sindsdien zijn er in het binnenland 10.500 arbeidsplaatsen verloren gegaan en in het buitenland 2.000 bijgekomen. Het einde is niet in zicht.

Niet lang nadat Ebner de machtsstrijd bij Union Bank of Switzerland verloren had omdat hij als koude saneerder geen voet aan de grond kreeg, gaf Credit Suisse het startschot voor een nieuwe ronde van reorganisaties. De komende drie jaar moeten er 5.000 banen verdwijnen, waarvan 3.500 in Zwitserland. Gedwongen ontslagen, tot op heden een onbekend fenomeen in het Zwitserse bankwezen, zijn daarbij volgens bestuursvoorzitter Gut onvermijdelijk. Twee weken geleden, de grote drie Zwitserse banken volgen elkaar in veel opzichten op de voet, kondigde Swiss Bank Corporation aan 1700 banen te gaan schrappen.

Bankiers in Zwitserland zien de reorganisatie als een onvermijdelijke inhaalslag ten opzichte van de buitenlandse concurrentie. “De saneringsprogramma's zijn nodig en goed”, zegt Baldwinger. “Het vergt moed om met dergelijke maatregelen naar buiten te treden.” Peter Buttliger, van de Okasan Bank zegt: “U moet maar eens met de auto rond gaan toeren. Dan ziet u wat wij noemen 'voor elke drie koeienstallen een bankfiliaal'. Dat kan niet langer. Er is twintig jaar lang overcapaciteit opgebouwd. Veel mensen uit de industrie zijn het bankwezen binnengetrokken. Nu is het afgelopen. Recessie en internationale concurrentie dwingen tot herstructurering.”

Voor veel Zwitsers is moeilijk te verteren dat banen niet naar het buitenland verdwijnen vanwege lagere arbeidskosten, maar omdat grote Zwitserse banken hun zinnen hebben gezet op een toonaangevende positie in investment banking. Daarvoor moeten ze niet in Bazel of Zürich zijn, maar in Londen en New York.

Vergelijkbare argumenten gelden voor de handel in valuta of afgeleide financiële produkten. ,De teruggang van Finanzplatz Schweiz is voorlopig niet ten einde”, zegt Baldwinger van de Japanse Nomura Bank in Zwitserland. En Boschetti van Swiss Bank Corporation stelt: “Het financieel centrum verdwijnt eenvoudig daarheen waar de beste diensten worden aangeboden. Dat is naar Londen, of Luxemburg. In de volgende eeuw kan het China zijn.”