Matig enthousiasme professionals bij beursfusie

AMSTERDAM, 8 OKT. De fusie van de EOE Optie- en Amsterdamse Effectenbeurs, waarmee de besturen van beide beurzen vrijdag hebben ingestemd, is voor professioneel bij de beurs betrokken partijen reden voor gematigd enthousiasme en enkele vraagtekens over de concrete uitwerking.

“Spectaculair”, zegt een ingewijde. “Een paar jaar geleden was het toch ondenkbaar dat dit zo snel rond zou zijn. Maar we moeten natuurlijk geen wonderen verwachten.”

De leden/aandeelhouders van de EOE optiebeurs en de leden van de Vereniging voor de Effectenhandel moeten, deze maand, nog instemmen met de Amsterdam EXchanges (AEX), zoals de beurs voortaan naar buiten wil treden. Algemeen wordt verondersteld dat de belangrijkste obstakels uit de weg zijn geruimd met het besluit tot “een fusie op basis van gelijkwaardigheid” en de verplaatsing van het Controlebureau van de beurs naar de nieuwe beursholding AEX. “In de wandelgangen hoor ik wel gemor bij de optiejongens”, zegt een ingewijde, maar hij verwacht niet dat “emotionele aversie over en weer” tussen hoeklieden en optiehandelaren nog roet in het eten kan gooien.

Dat geldt evenmin voor de invulling van topposities. G. Moller, de huidige directeur van de Optiebeurs, werd al eerder nadrukkelijk genoemd als de nieuwe algemeen directeur van Amsterdam EXchanges (AEX). Hij blijft de grootste kanshebber voor deze post.

Over andere posities bestaat meer onduidelijkheid. Eén van de drie medebestuurders van Möller wordt waarschijnlijk J. Brouwer, de huidige directeur van de Effectenbeurs. Voor de overige twee posten, de directeuren van respectievelijk de werkmaatschappijen Amsterdam Securities Depositary en EOE Optiebeurs, circuleren diverse namen. Voor het voorzitterschap van de raad van commissarissen waaraan het bestuur van Amsterdam EXchanges zal gaan rapporteren worden oud ABN-Amro bestuurder F. Hoogendijk, maar vooral de huidige voorzitter B. Baron van Ittersum van de effectenbeurs als belangrijkste kandidaten genoemd. Een ingewijde zet zijn kaarten op Van Ittersum: “De beurs moet toekomstgericht zijn. Hoogendijk is niet meer een van de jongsten.”

De beurs liet vrijdag weten geen directe personele gevolgen te verwachten van de fusie. “Misschien dat er op langere termijn minder mensen nodig zijn voor stafafdelingenen als juridische- en personeelszaken”, zegt een directeur van een dochter van de beurs. Een andere ingewijde is stelliger: “Er zijn natuurlijk toch doublures. Als je afdelingen samenvoegt zit je tenminste met een mannetje over. Ik verwacht geen gedwongen ontslagen, maar Moller is afkomstig uit het bedrijfsleven (MeesPierson, red.) hij zal proberen de zaken efficiënt vorm te geven.”

Over de toekomstige rol van de Vereniging voor de Effectenhandel en de Vereniging EOE moet volgens het persbericht van afgelopen vrijdag nog nader gesproken worden. Nu het Controlebureau van de beurs, naar verluidt onder druk van het Ministerie van Financiën, wordt ondergebracht bij de de beurzenholding-AEX lijkt de rol van de Vereniging voor de Effectenhandel uitgespeeld. “Ik weet niet of je nog een nuttige bezigheid voor ze kunt verzinnen”, zegt een ingewijde. “Het is volgens mij de bedoeling het vermogen van de Vereniging (ongeveer 300 miljoen gulden, red.) uit te keren, maar de verdeling daarvan zal nog lastig worden.”

De directeur van een beursdochter ziet desondanks ook in de toekomst een rol voor de Vereniging. “Het bewaren en bewaken van het garantievermogen van de nieuwe holding kan het beste worden ondergebracht bij een onafhankelijke partij”, meent hij.

Bij beide beurzen bestaat een sterke voorkeur voor vestiging van de nieuwe beurs in de binnenstad van Amsterdam. Een betrokkene verwacht hierover voorlopig geen besluit, omdat het fusieproces daardoor vertraging zou kunnen oplopen. “Dit ligt erg gevoelig. Op termijn zouden de hoeklieden natuurlijk thuis vanachter een terminal gaan werken, dan heb je een vloer over. Maar er is geen reden het fusieproces te vertragen door partijen met statements hierover in de gordijnen te jagen.”

De beurs streeft er nog altijd naar de gezamenlijke organisatie op 1 januari 1997 van start te laten gaan. “Dat lijkt me erg ambitieus”, zegt een ingewijde. “Maar je stelt een deadline. Als je kiest voor 1 maart van het volgend jaar, dan haal je die datum natuurlijk ook niet.”