Lelijk voetbal

“Lelijk voetballen is zo simpel niet.” Een opmerking van Arie Haan na de wedstrijd Vitesse-Feyenoord van onlangs. En zijn geachte collega Leo Beenhakker bleek Vitesse wekelijks de opdracht te geven altijd minstens vijf spelers achter de bal te hebben en te houden, zodat de kans dat de tegenpartij doorbreekt, niet erg groot is. Dat het wel eens misgaat met deze aanhangers van Hellenio Herrera, was tijdens Vitesse-Feyenoord duidelijk gebleken.

Wekenlang speelden beide teams vooral op safety first and football afterwards, maar tegen elkaar werd het tot ieders verrassing een spectaculaire ontmoeting met maar even een half dozijn doelpunten. Nu is het uiteraard moeilijk redeneren tegen Haan, want zijn ploeg staat bovenaan. Weliswaar bestaat er een gezegde over succes, dat een grote hoeveelheid blunders afdekt, maar wie wint heeft automatisch gelijk. Al is 1-0 soms reden voor de iets neutraler toeschouwers om van lafheid te spreken.

Maar het is de vraag, of lelijk, initiatief-arm voetbal niet zo simpel is. Of men er respect voor moet hebben. Dat laatste geloof ik niet. Lelijk voetballen in de betekenis als door Arie Haan bedoeld, is stukken gemakkelijker dan, om een duidelijk voorbeeld te noemen, voetbal van het type-Ajax. Wie vooral speelt om te scoren, kan genadeloos de dieptebrug opgaan, maar in elk geval heeft hij de oorspronkelijke bedoeling van het edele spel (ja, dat was het eens) goed begrepen. Mijn goede collega ir. Ad van Emmenes hield in gesprekken soms vol, dat verdedigen precies even belangrijk was als aanvallen, maar dat hou ik nog steeds tegen. De doelstelling is vaker te scoren dan de tegenpartij en als je verdedigen precies even hoog aanslaat als aanvallen, dan speel je in principe op 0-0 en dan kom je - eveneens in principe - nooit verder dan een gelijkspel. Gezien de dagelijkse praktijk is het niet zo vreemd, dat de vier doelpunten van Vitesse Arie Haan zo zwaar op de maag lagen, dat hij in volle ernst verklaarde dat ze geen van vieren tot stand hadden mogen komen. Dat komt, omdat die trainers ervan uitgaan dat er überhaupt tegen hun elftal niet gescoord behoort te worden. Gebeurt het toch, dan is het niet de verdienste van Vitesse, maar de schuld van Feyenoord.

Dat kan best eens voorkomen, maar zeer waarschijnlijk slaat het in redelijkheid niet op het hele kwartet treffers. Wie niet door beroepsblindheid was aangetast, had mogen constateren dat tenminste twee Arnhemse goals het resultaat waren van verdiensten van aanvallers en niet van schuld van verdedigers. Maar om zover te komen moet je ervan uitgaan dat het spel gespeeld dient te worden met de bedoeling tenminste één doelpunt meer te verwezenlijken dan de andere ploeg. Je kunt niet elke keer de schoonheidsprijs winnen, maar wil voetbal als kijkspel overleven in dit land, dan zal men op zijn minst een acceptabele mix tussen aanvallen en verdedigen moeten vinden. En elke keer als er een zondagskind als Pierre van Hooijdonk opstaat en de bal met voet of hoofd in de touwen doet belanden, dan applaudiseert het voetbalvolk, beseffend dat men een goudhaantje heeft gezien.

Zeer zeker zijn er aanvallers van klasse te weinig en bikkelharde verdedigers te veel, maar trainers en spelers hebben dat over zichzelf uitgeroepen in hun streven naar 0-0 en niemand een meter ruimte gunnen. “Punkt ist Punkt”, placht dr. Fadhronc, de vroegere coach van Oranje, te roepen als er kleurloos was gelijk gespeeld. Dan zat je meteen in de verliezershoek. Hij had onweerlegbaar gelijk. Punkt was en is Punkt. Maar dat voetbal die middag massaal had verloren, wilde de doctor niet weten. Haan ook niet en Beenhakker evenmin.