In Belgische veerkracht schuilt bedenkelijke lokroep

Elke crisis in België lijkt het einde van het land in te luiden. Maar juist omdat de Belgen zo weinig van hun gezagsdragers verwachten, valt het in de praktijk steeds weer mee, aldus Patrick Stouthuysen. Wel wordt extreem-rechts met elke crisis sterker.

In het Antwerpse stationsgebouw kan je van een bord aflezen hoeveel dagen ons nog scheiden van het jaar 2002. Dan herdenken de Vlamingen de 'Guldensporenslag', de overwinning, zevenhonderd jaar geleden, op de Franse ridders. Die feestelijke herdenking betekent meteen ook het einde van België. Dan gaat Vlaanderen zijn eigen weg. Dat hoor je althans steeds vaker beweren, vooral in de Franstalige Belgische pers. Dat is ook het beeld dat in het buitenland bestaat, waar men meestal uitsluitend op die pers is aangewezen.

Zoals wel vaker is ook hier de realiteit een stuk prozaïscher: uit een begin deze maand gepubliceerde opiniepeiling blijkt dat zeventig procent van de Vlamingen zich vooreerst als Belg beschouwt en dat slechts een derde de federalisering wil doorzetten. Een kwart van de ondervraagde Vlamingen verklaart zich tegenstander van een verdere staatshervorming, meer dan twintig procent wil terug naar het oude unitaire België. Loopt het dan allemaal niet zo'n vaart?

De christendemocratische oud-politicus Robert Houben beweerde ooit dat België niet zal uiteenvallen omwille van wat onder de bevolking leeft. Maar wel omdat de standpunten van de politici uit de twee gemeenschappen zó ver zullen uiteenlopen, dat het vormen van een nationale regering onmogelijk wordt. Die voorspelling is niet zo gek.

Er is een communautair opbod bezig. Langs beide kanten van de taalgrens radicaliseren de standpunten. Vlaamse en Waalse politici worden meegesleept door een institutionele dynamiek die ze niet meer beheersen. De Vlaamse en Waalse deelstaten hebben, als gevolg van de staatshervorming, grote bevoegdheden gekregen.

Het ligt in de aard van die nieuwe instellingen om dat machtsbereik nog verder uit te breiden. Zo eisen nogal wat Vlaamse politici een eigen fiscale verantwoordelijkheid, wat Vlaanderen moet toelaten zelfstandig zijn eigen economisch beleid te bepalen. Dat is het logische en voorspelbare gevolg van de staatshervoming en hoeft ook niet het einde van België te betekenen.

Zo zien ze dat evenwel niet aan de andere kant van de taalgrens. Daar meent men dat het om een weloverwogen strategie van de Vlamingen gaat om het land op te blazen en Wallonië aan zijn lot over te laten. Het triomfalisme van de Vlaamse minister-president Luc Van den Brande sterkt hen in die overtuiging.

Vlaamse politici begrijpen niet altijd de draagwijdte van wat ze zeggen of doen. Zo werd enige tijd geleden een wetenschappelijke prijs uitgereikt aan een “proeve van Vlaamse Grondwet”, een vrijblijvend werkstuk van een handjevol jonge juristen. Die uitreiking vond evenwel plaats in het Vlaamse parlement, in aanwezigheid van de minister-president. Dat zoiets de emoties in Wallonië doet oplaaien, is meer dan begrijpelijk. Anderzijds: de overreactie van de Waalse minister-president, Robert Collignon, getuigt van evenveel onbegrip voor wat er in Vlaanderen leeft. Door Van den Brande als “separatist” te brandmerken, versterkt hij Vlaamse politici in hun overtuiging dat er geen redelijk gesprek met Wallonië meer mogelijk is.

De politieke elite leeft in een eigen realiteit. De communautaire retoriek, die in de pers breed wordt uitgemeten, heeft nooit veel indruk op de bevolking gemaakt. Zeker nu niet. Mensen zijn geschokt door de onthullingen over de misstanden binnen de politiediensten en justitie. Het lijkt allemaal nog erger dan ze vreesden. De malaise binnen politie en justitie is symptomatisch voor de Belgische instellingen.

De Belgische politieke cultuur is er één van argwaan en scepsis. Argwaan tegenover de staat, scepsis tegenover diegenen die zich met de publieke zaak inlaten. Dat is begrijpelijk. De staatsinstellingen zijn door de politieke partijen gekoloniseerd. Overheidsambten worden gebruikt om politieke vrienden te belonen, diensten worden verleend om de eigen invloedssfeer te vergroten. Die mentaliteit straalt af op de bevolking. Als het er in het politieke bedrijf zo cynisch aan toegaat, waarom zou je je dan aan de regels houden of geen gebruik maken van contacten binnen de politiek om die regels naar jouw hand te zetten.

Nederlanders vinden, van op afstand, die enigszins anarchistische houding wel sympathiek. Belgen zijn niet zo principieel en laten zich niet door regelneven betuttelen. Die mentaliteit maakt bij momenten samenleven behoorlijk moeilijk. Belgen wantrouwen immers niet alleen de instellingen, maar ook elkaar. Wie iets heeft, zal dat vermoedelijk wel op onheuse wijze hebben verkregen. Wie zich inzet voor een ander, zal daar vermoedelijk wel een reden voor hebben.

Als je een bouwvergunning nodig hebt of solliciteert naar een openbare betrekking, kan je maar beter aankloppen bij een invloedrijk politicus. Als jij het niet doet, doet een ander het wel. En zo houden we met zijn allen de 'amigocratie' in stand. Zolang we dat spel meespelen, is er geen kans op beterschap. Het is met het politieke dienstbetoon als met een bewapeningswedloop. Iedereen zou er liever een einde aan maken, maar niemand neemt het initiatief zolang het niet zeker is dat de anderen zullen volgen.

Er zijn nogal wat overeenkomsten met Italië. Ook in België wordt steeds luider om een operatie 'Schone handen' geroepen. Elke publieke steunbetuiging aan onderzoeksrechter Connerotte en procureur Bourlet, die een doorbraak forceerden in de dossiers van de moord op Cools en van de verdwenen meisjes, gaat meteen vergezeld van een aanklacht tegen de politici. Het stoort mensen dan ook niet wanneer de koning uit zijn rol stapt en de ministers de les leest. Het grote verschil met Italië is evenwel dat het de Belgische regering niet aan daadkracht ontbreekt. Zo is premier Dehaene er toch maar weer in geslaagd het begrotingstekort onder de Maastricht-norm te drukken en lijkt het erop dat minister van Justitie De Clercq in sneltempo verregaande hervormingen van het gerecht gaat doorvoeren.

Buitenlandse waarnemers blijven zich verbazen over de veerkracht van het Belgische politieke systeem. Op papier lijkt elke crisis het einde in te luiden. Precies omdat de Belgen zo weinig van hun gezagsdragers verwachten, valt het echter in de praktijk steeds weer mee. De lokroep van de anti-politiek en van extreem-rechts wordt evenwel met elke crisis sterker.

Het burgerprotest, dat zich voorlopig enkel heeft geuit in manifestaties ten gunste van Connerotte en Bourlet, kan vrij gemakkelijk andere en meer bedenkelijke vormen aannemen. Het Belgische overlegmodel bestond bij gratie van een consensus tussen de politieke elites en een afzijdige, onverschillige bevolking. Geen van beide voorwaarden lijkt nog vervuld.