Gouden getuigen moeten mega-drugszaak rond maken

Voor de rechtbank in Amsterdam dient morgen weer een pro forma zitting tegen de vermeende leider van een omvangrijke hasjorganisatie, de 42-jarige Johan V., bijgenaamd 'de Hakkelaar'. Een overzicht van gebeurtenissen, getuigen en verdachten.

AMSTERDAM, 8 OKT. Nederlanders vervulden een leidinggevende rol in een omvangrijk hasjnetwerk. Dat bleek uit onderzoek van de Canadese politie eind jaren tachtig. Een vloot van schepen zou vanaf medio jaren tachtig hasj hebben vervoerd van Pakistan naar Europa en Canada. Volgens het daarop door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) gestarte 'Octopus-onderzoek' was Johan V. de centrale figuur binnen deze omvangrijke hasjhandel. Het zou echter tot dit jaar duren voor V. voor de rechter kon worden gedaagd.

Het onderzoek naar V. kwam in een stroomversnelling toen in 1991 het schip de Coral Sea 2 in Amsterdam aan de ketting werd gelegd. Onderzoek naar hasj- en geldstromen - de organisatie zou ruim 370.000 kilo hasj hebben getransporteerd - leidde de FIOD naar de Femisbank in Baarle-Nassau. Via deze financiële instelling bleken drugswinsten te worden witgewassen en investeringen te worden geregeld voor nieuwe hasjtransporten. V. zou een van de belangrijkste financiers zijn. Eind 1994 sloeg de belastingdienst hem aan voor 540 miljoen gulden.

Voor een doorbraak in de strafzaak tegen V. en consorten zorgde de Amsterdamse ex-garagehouder Ad K. Hij was de eerste die het aandurfde een belastende verklaring af te leggen tegen 'de Hakkelaar'. Volgens Justitie weerhield tot dan toe de angst voor de als gewelddadig bekend staande groep van V. getuigen ervan naar voren te komen. V. wordt ervan verdacht banden te onderhouden met huurmoordenaars, zo blijkt uit het verslag van de parlementaire-enquêtecommissie opsporingsmethoden. K. kwam tot zijn belastende verklaringen nadat hij in 1993 in Frankrijk was gearresteerd toen hij hasj kocht van een undercover-agent. Volgens K. had V. hem in de val laten lopen.

K. situeert het begin van wat werd genoemd 'de firma' in 1984. Toen zaten de inmiddels ook al internationaal beruchte hasjhandelaar Henk Orlando R., bijgenaamd 'de Cobra' en Bertus K. - die morgen ook voorkomt - nog samen in de kleinschalige hasjhandel. Volgens Ad K. (zijn achternaam heeft overigens slechts de eerste letter gemeen met die van Bertus K.) is Johan V. 'algemeen directeur' van de firma, Dirk de G., bijgenaamd 'de Sigaar' zou 'directeur import' zijn en 'directeur stashen' (illegaal opslaan) de eerder genoemde Bertus K., een woonwagenbewoner uit het Utrechtse. 'Directeur verkoop en incasso' zou Koos R. zijn die morgen ook voorkomt. Laatstgenoemde wordt door Karman “het meest gevaarlijk” genoemd.

De Amsterdamse oud-leraar kickboksen Jan P. heeft eveneens tegen V. belastende verklaringen afgelegd. P. was voor de firma belast met het incasseren, opslaan en bewaken van de drugswinsten in Canada en bewaakte in Montreal naar eigen zeggen een kamer vol dollars. Hij kwam tot zijn getuigenverklaring omdat V. van plan zou zijn geweest hem te liquideren.

De belangrijkste getuige in de zaak-V. is de 56-jarige uit Pakistan afkomstige Fouad Hadji A., diamantair in Antwerpen. Het OM omschrijft A. als “de bemiddelaar, de tussenpersoon of commissionair tussen Pakistaanse leveranciers” en Nederlandse hasjhandelaren, waaronder Johan V. A. werd naar eigen zeggen in 1986 in Antwerpen door een vriend in contact gebracht met Nederlandse hasjhandelaren.

A. bleek bereid tegen V. te getuigen indien hij - net als Ad K. - niet zou worden vervolgd. Hij zegde het openbaar ministerie toe 1,8 miljoen gulden te betalen en informatie te leveren over Johan V. Het bedrag is de maximale geldboete voor de strafbare feiten waarvan A. werd verdacht, te weten vier hasjtransporten tussen 1987 en 1991 en deelname aan een criminele organisatie. Het openbaar ministerie zelf blijkt intussen niet echt gelukkig te zijn met de getuigenregelingen. Zo schreven de bij deze zaak betrokken officieren van justitie Witteveen en Teeven in een brief van maart dit jaar aan de Amsterdamse hoofdofficier J. Vrakking dat A. “waarschijnlijk een grotere jongen is dan hij doet voorkomen. (...) A. zegt dat hij als argeloze diamantair met J.V. in contact is gekomen, wij geloven daar niets van. A. zat al in de handel. Mogelijk had A. ook bemoeienis met handel in heroïne.”

De deal met Ad K. werd door Witteveen enkele maanden geleden “pijnlijk” genoemd. Witteveen achtte het toen “niet zeker” dat het openbaar ministerie in de toekomst in een vergelijkbare zaak weer “zo ver zou gaan”. Het zijn deze elementen - grootschalige handel in softdrugs en deals met criminelen - waardoor volgens de verdediging de zaak-V. alles in zich heeft om, in de woorden van een van V.'s raadslieden M. Moszkowicz sr., “een cause célèbre” te worden.

Inhoudelijk begint de rechtszaak in december.