Drees wilde niet wijken voor Het Parool

Het vooroorlogse politieke bestel diende na de bezetting niet meer terug te keren, aldus het linkerdeel van de illegaliteit. Maar volgens Harry van Wijnen heeft de 'ramkoers' die Frans Goedhart vaarde in de hoofdartikelen van het illegale Parool voor een averechts effect gezorgd.

Na de invasie van de geallieerden in Normandië droomde meer dan één optimist in het linkerdeel van de Nederlandse illegaliteit van een vernieuwd naoorlogs kabinet onder een vernieuwde premier in een radicaal vernieuwde samenleving. Vernieuwing was zowel het wachtwoord van koningin Wilhelmina, die wilde breken met het oude bestel, als de maatstaf van de progressieve sector van de illegaliteit, die de vooroorlogse politiek had afgeschreven en al een tijdelijk straatverbod voor de SDAP en de andere oude partijen in de maak had.

Vele progressieven dachten de leiding van het eerste naoorlogse kabinet toe aan G.J. van Heuven Goedhart, vermaard journalist, Engelandvaarder en een van de kopstukken van de verzetsgroep Het Parool, die minister van Justitie in het eerste Londense kabinet-Gerbrandy was geweest en in Londen de favoriet van Wilhelmina was.

Andere illegalen met een meer radicale inslag zagen meer in Frans Goedhart. Goedhart, alias Pieter 't Hoen, was de oprichter van het illegale Parool, journalist annex politicus, verzetsman uit één stuk, schrijver van onverschrokken vertogen tegen de Duitse bezettingsmacht en Hitlers Derde Rijk, die met vlammende hoofdartikelen in het ondergrondse Parool de verzetsgeest van de lezers had geprikkeld en de gehele oorlogsperiode een soms wat tactloze campagne had gevoerd voor een radicale vernieuwing van de democratie en tegen het vooroorlogse politieke bestel.

Het zou mischien een vruchtbaar experiment zijn geworden als het ervan was gekomen, maar het landsbestuur over het bevrijde Nederland van 1945 kwam niet in handen van de literaten van Het Parool maar van de professionals van het oude bestel, dat zich beter bleek te hebben georganiseerd en een betere politieke taktiek voerde dan de politieke amateurs van de linkse illegaliteit.

Gerard Mulder en Paul Koedijk beschrijven in hun zojuist verschenen (door Wout Woltz in de boekenbijlage van 20 september j.l. besproken) Geschiedenis van het naoorlogse Parool (Léés die krant!) Goedharts frustraties en teleurstelling over de terugkeer van het ancien régime, zoals hij het oude bestel steevast betitelde. Maar het was al veel eerder, nog onder de Duitse bezetting, volkomen duidelijk dat de ministeriële vlieger van Van Heuven Goedhart c.s. niet zou opgaan.

Al in het najaar van 1944, dus geruime tijd vóór de bevrijding van Nederland-boven-de-rivieren, waren de toekomstige staatkundige verhoudingen in de Contact Commissie, het contactorgaan van de illegaliteit (CC) in het voordeel van de oude partijen beslist. De uitkomst van die interne strijd in de illegaliteit om de naoorlogse staatkundige hegemonie wordt in 'Mulder & Koedijk' wel besproken, maar lang niet zo uitgebreid als in de voorloper van hun boek, de in 1991 door Madelon de Keizer gepubliceerde studie van het ondergrondse Parool (Verzetsblad in oorlogstijd). Wie de historie van de teloorgang van de politieke aspiraties van de linkse illegaliteit en de wonderbaarlijke wederopstanding van het oude bestel in haar geheel wil overzien, moet die twee Paroolgeschiedenissen in één keer achter elkaar lezen. Dat vergt volharding (ruim 1200 bladzijden bij elkaar), maar wie dat volbrengt krijgt zowel inzicht in de hogere krijgskunde van oude rotten als Drees (SDAP)en Bruins Slot (ARP) als in de oorzaken van de later mislukte Doorbraak.

In het voetspoor van mr. H.W. Sandbergs oerstudie over de politieke schakeringen in de illegaliteit (Witboek van de Grote Advies Commissie der Illegaliteit uit 1950) dateert Madelon de Keizer de eerste onoverbrugbare tegenstellingen over de naoorlogse rol van de illegaliteit al in de zomer van 1944. Vrijwel direct na haar instelling werd de (voor het overleg tussen de talrijke en heterogene verzetsgroepen geformeerde) Contact Commissie het centrum van een politieke machtsstrijd. Aan de ene kant (de 'rechter- en de midden-sector'): degenen die vonden dat die commissie niet als de vertegenwoordiging van bezet Nederland mocht worden beschouwd, die ook terughoudendheid op politiek terrein propageerden en die voor de illegaliteit geen politieke functie na de oorlog zagen weggelegd, omdat die als vanouds aan de politieke partijen was voorbehouden. Aan de andere kant (de 'linker-sector'): J. Meijer, de woordvoerder van Het Parool en Vrij Nederland, die het standpunt verdedigde dat de illegaliteit niet alleen gerechtigd maar zelfs verplicht was politieke uitspraken te doen. Voor de linkse illegaliteit was het, zoals hij betoogde, ondenkbaar dat men alleen verzet pleegde om de Duitsers te bestrijden. Oorlog en bezetting waren niet alleen het gevolg van de expansiedrift van het Derde Rijk, maar moesten mede worden toegeschreven aan de falende westerse democratieën van de jaren dertig. De illegaliteit moest volgens zijn visie daarom tot een samengebalde politieke kracht uitgroeien die een stimulans tot een diepgaande maatschappelijke vernieuwing kon geven. Het Parool kreeg in die discussie geen been aan de grond. Door de structuur van de illegaliteit (verzamelnaam voor tientallen organisaties van 'rechts', 'links' en 'centrum') en door de samenstelling van de Contact Commissie (waarin de coalitie van het Parool, Vrij Nederland, Je Maintiendrai, Christofoor, de Waarheid en nog enkele groepen een minderheid vormde) stond de Parool-vertegenwoordiger Meijer alleen. Het streven naar een 'vernieuwde, weerbare democratie' via het contactorgaan van de illegaliteit zou mede daarom op een mislukking uitlopen.

Meijer was een woordvoerder die zijn inzichten met de nodige tact en gematigdheid uitdroeg. Het lag dan ook niet aan hem dat de meerderheid van de Contact Commissie Het Parool niet wenste te volgen in de aanbevolen politisering, maar de weg effende voor de terugkeer van de oude partijen. Dat lag veel meer aan Goedhart, die in zijn hoofdartikelen een ramkoers volgde. Dat hij het oude bestel naar de mestvaalt schreef was minder opzienbarend dan dat hij juist een confrontatie met de SDAP zocht. Goedhart was polemisch begaafd, maar aan de studie van de beginselen van staatkundige tactiek was hij nooit toegekomen. In plaats van te proberen Drees aan zijn kant te krijgen, beledigde hij diens partij, waardoor hij deze juist verder in het kamp van de oude partijen dreef. De fluwelen handschoen paste Goedhart in het geheel niet. Anders dan de ARP, schreef hij, had de SDAP zich niet in het verzet onderscheiden. De meeste prominente politici hadden tijdens de bezetting verstek laten gaan. “Zij kropen weg, lieten niets meer van zich horen en bleven volkomen in gebreke om leiding te geven aan het ondergronds voortgezette politieke leven van Nederland”. Als toegift bepleitte Goedhart terloops nog de tijdelijke uitschakeling (gedurende een half jaar) van alle oude partijen, om het vernieuwingsproces dat na de oorlog op gang moest komen, niet in de weg te staan. Zijn kritiek op de vakverenigingen was nog een toonaard scherper: zij hadden niets gedaan tegen de deportatie van onze arbeiders, en niets voor de hulp aan onderduikers. Zulke organisaties hadden, aldus Goedhart, geen recht om over de naoorlogse politieke vernieuwing mee te praten. “Ze waren er slechts op uit om hun oude posten weer in te nemen, net zoals allerlei oude politici daarop uit waren”.

Drees was diep geschokt door de onverzoenlijke, ongenuanceerde kritiek van Het Parool (lees: Goedhart). Maar hij gaf zich niet gewonnen. De andere partijen deden dat ook niet. Ze hadden zich te goed georganiseerd in de structuur van de illegaliteit om zich weg te laten blazen. Als de 'linker-sector' geheel zou hebben kunnen varen op het kompas van de diplomatieke Meijer (die het grootste deel van zijn professionele loopbaan als directeur-generaal op Buitenlandse Zaken zou doorbrengen) was de uitkomst waarschijnlijk anders geweest. Nu had Drees het geluk dat hij met een rambo te maken had, die in zoete broodjes bakken niet geïnteresseerd was en van te dik hout planken wilde zagen. Gealarmeerd door de onbewimpelde taktiek van de oprichter van Het Parool ('verbod tot partijvorming') organiseerde Drees onmiddellijk zijn verdediging, mobiliseerde zijn collega's van de andere partijen en schreef een verweerschrift, misschien wel het felste geschrift dat ooit uit zijn pen kwam. In dat geschrift wees hij erop dat de leiders van de politieke partijen reeds in juni 1940 verbinding met elkaar hadden gezocht om in overleg te treden niet alleen over de toekomst, maar ook over de houding die zij tegenover de bezetter zouden moeten innemen. Drees liet zich niet gauw kwaad maken. Maar deze aanval maakte een driftbui in hem los. Het was Goedharts meest effectieve bijdrage aan de instandhouding van het oude partijbestel.