Deelname vredesoperaties niet baseren op emoties

Collega Jan Hoekema van D66 trok afgelopen week aan de bel om zijn bezorgdheid uit te spreken over de sluipende renationalisatie van het Nederlandse defensie- en veiligheidsbeleid (NRC Handelsblad, 2 oktober). Zijn stelling is dat velen zich uitspreken voor een beleid waarbij uitsluitend de verdediging van Nederland en het NAVO-grondgebied centraal staan.

Nederland zou internationaal niet langer het 'beste jongetje uit de klas willen spelen'. Hoekema pleitte daarbij voor idealisme en engagement. Dit zijn riskante politieke drijfveren als het gaat om uitvoering van militaire operaties. Wat dat betreft geef ik de voorkeur aan realisme en nuchterheid. Onnodige risico's en zelfoverschatting moeten worden voorkomen. Dit leidt niet tot renationalisatie, maar wèl tot een andere kijk op de Nederlandse inbreng.

Nederland als klein land en handelsnatie is gebaat bij een stabiele wereld. Handhaving van de internationale rechtsorde is in het Nederlandse belang. Maar die constatering op zichzelf is niet voldoende. In de in 1993 gepresenteerde Prioriteitennota van toenmalig minister van Defensie Ter Beek is onder meer de militaire capaciteit vastgelegd voor de uitvoering van vredes- en humanitaire operaties. Hieruit blijkt dat onze militaire mogelijkheden beperkt zijn. Zeker als het gaat om gedurende langere tijd een operatie vol te houden. Onze militaire presentie in Bosnië dateert al van 1992 en bij sommige onderdelen begint de schoen behoorlijk te wringen. Om dit op te lossen is een bijstelling van de Prioriteitennota noodzakelijk. Maar ondanks dat kan Nederland, ofschoon sommigen dat wellicht willen, niet de lasten van de gehele wereld op zich nemen. Nederland is tenslotte geen Europese grootmacht. Bovendien moeten wij onze rol en invloed ook niet overschatten.

Vorig jaar heeft het parlement ingestemd met het 'Toetsingskader voor uitzending van militaire eenheden'. Daarbij komen de politieke en militaire criteria aan de orde die een rol spelen bij het besluit om aan een vredesoperatie deel te nemen. Strikte toepassing van deze criteria moet voorkomen dat alleen op basis van emoties en idealisme wordt gehandeld. Het is dan onbegrijpelijk dat minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken vorig jaar, na de val van Srebrenica, onmiddellijk pleitte voor het sturen van Nederlandse troepen naar de bedreigde enclave Gorazde. Ofschoon zo'n houding, naar ik aanneem, voortkomt uit emotionele betrokkenheid, staat zij haaks op het goedgekeurde toetsingskader. Hetzelfde deed zich enkele maanden geleden voor toen de situatie in Burundi verslechterde. Minister Van Mierlo, met in zijn kielzog de D66-fractie, pleitte voor Nederlandse deelname aan een vredesmissie voor Burundi. Het deed er klaarblijkelijk allemaal niet toe dat er nog geen VN-mandaat was, dat de opdracht nog niet duidelijk was, dat onbekend was welke landen er zouden deelnemen en dat ook de haalbaarheid van de missie niet kon worden vastgesteld. Voor zo'n 'engagement' voelt de VVD weinig. Wanneer Nederland deelneemt aan een vredesoperatie moeten de vragen over de politieke wenselijkheid en militaire haalbaarheid vooraf duidelijk worden beantwoord. Daarbij moeten de risico's helder in kaart worden gebracht. Daarnaast moet Nederland, zoals in Srebrenica het geval was, nooit meer een zwaar karwei alleen opknappen. Gelukkig past de regering deze gulden regel nu ook in de praktijk toe. In Bosnië zijn onze troepen samen met de Britten in dezelfde sector ingedeeld en dat alles onder Brits commando. Dat is ook de reden dat voortzetting van de Nederlandse deelname in Bosnië wordt gekoppeld aan Brits en Amerikaans 'commitment'. Zonder politieke druk en militaire aanwezigheid van de VS in Bosnië wordt het weer aanmodderen.

Bij de behandeling in de Tweede kamer van het eerder genoemde Toetsingskader, heb ik gesteld dat de VNals logge en bureaucratische organisatie met een stroperige besluitvorming ongeschikt zijn om complexe vredesoperaties uit te voeren. De VVD wijst dan ook Nederlandse deelname aan dergelijke operaties onder VN-leiding af. Helaas wordt die helderheid niet door iedereen verschaft. Ook Hoekema hinkt op twee gedachten. Enerzijds houdt hij een enigszins achterhaald pleidooi voor operaties onder NAVO-commando, maar anderzijds sluit hij optreden van 'beter georganiseerde eenheden in VN-verband' niet uit. Maar zoals gezegd, is dit een ontkenning van de werkelijkheid. Ook de Nederlandse generaal Van Kappen, militair adviseur van Boutros Ghali, komt in een interview met deze krant tot die conclusie: “Vrede opleggen kunnen de VN niet. De VN kunnen geen gevechtsacties ondernemen of oorlogvoeren”. (NRC Handelsblad, 5 oktober). Ook al zijn de eenheden goed georganiseerd (in Bosnië was dit tijdens UNPROFOR in het algemeen wel het geval) dan valt of staat militair optreden met een heldere, eenduidige bevelsstructuur, voldoende middelen met een toereikend mandaat. Dat is ook één van de redenen dat het idee van minister Van Mierlo voor een VN-Rapid Reaction Force door de VVD niet wordt ondersteund. De inzet van zo'n brigade is vooraf al gedoemd om te mislukken. Zoals hiervoor betoogd is de VN-organisatie ongeschikt om aan een dergelijke brigade leiding te geven. In de tweede plaats kan het gebruik van zo'n brigade niet geïsoleerd plaatsvinden. Luchttransport, logistieke ondersteuning en luchtsteun zijn een paar zaken die vooraf geregeld moeten zijn. De VN beschikken hier niet over. Maar ook dan nog is de inzet van een dergelijke brigade in de tijd gezien begrensd. Wanneer aanvullende troepen vooraf niet zijn toegezegd, zal de missie in een drama eindigen. Bovendien - en dat is het meest doorslaggevende argument - is er geen enkele politieke noodzaak een dergelijke brigade op te richten. De militaire middelen zijn volop aanwezig. De NAVO beschikt over een direct inzetbaar 'Rapid Reaction Corps'. Waar het om draait is de politieke wil om in te grijpen. Wanneer de belangen van de leden van de Veiligheidsraad niet in het geding zijn, zal het animo om te interveniëren - ook door de inzet van een VN-brigade, zeer gering zijn. Wanneer hun belangen wèl op het spel staan, kan militaire interventie een gevolg zijn. Inzet van eigen nationale middelen in combinatie met optreden van een groep van gelijkgezinde landen, ligt dat voor de hand.

Nederland is een welvarend en internationaal betrokken land. Van ons wordt verwacht dat wij ook militair, zowel binnen als buiten het NAVO-verdragsgebied, ons steentje bijdragen. Dat is terecht en de krijgsmacht is daarop voorbereid. Nederland neemt momenteel met meer dan tweeduizend man deel aan verschillende vredesoperaties. Van afzijdigheid is dus geen sprake. Maar bij inzet van militaire middelen, gaat het om de inzet van mensen. Hierbij kan de hoogste prijs worden gevraagd. De afweging van de te nemen risico's moet daarom met alle politieke zorgvuldigheid geschieden. Het is dan ook terecht dat de minister van Defensie minder gretig reageert op verzoeken uit New York dan ten tijde van het vorige kabinet. Geen idealisme en 'engagement' zoals Hoekema het wil, maar realisme en nuchterheid is hier de leidraad.