De dubbelzinnigheid van Kurt Schwitters' hotelkunst

Tentoonstelling: De Pictura: Kurt Schwitters, Emil Schumacher, Ricardas Vaitekunas. Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. T/m 27 okt. Dagelijks 11-17u. Catalogus Schwitters ƒ 22,50

Meestal is één blik op de schilderijen die in lobby's van hotels te koop worden aangeboden al voldoende. Niet meer dan geschilderde prentbriefkaarten van de mooiste plekjes in de omgeving, zijn het doorgaans. Anders gezegd, Hotelkunst, het oudere zusje van de huidige Airport-art.

In de kabinetten van het Amsterdamse Stedelijk Museum kijk je toch anders naar de landschapsschilderijen die Kurt Schwitters (Hannover, 1887 - Ambleside, 1948) op de vlucht voor de nazi's in Noorwegen maakte. Hij verbleef er van 1937 tot 1940, het jaar waarin hij na de Duitse inval hals over kop per ijsbreker naar Schotland vertrok. In deze periode hingen de schilderijen regelmatig in Djupvasshytta, een hotel in de bergen boven het Geirangerfjord.

Schwitters schilderde het hotel aan de rand van de gletsjer en de omgeving in verschillende jaargetijden. Door verkoop aan toeristen voorzag hij in zijn levensonderhoud. Hij werkte met olieverf op triplex; op de achterzijde staan soms nog prijzen in Noorse kronen vermeld. Sommige zijn doorgestreept en vervangen door een lager bedrag in de hoop ze alsnog te verkopen.

Al in 1929 raakte Schwitters in de ban van het ruige Noorse landschap. Jaarlijks bracht hij lange vakanties door met zijn vrouw Helma en zoon Ernst op het eiland Hjert in het Moldefjord en in Djupvasshytta.

In avant-garde-kringen genoot hij toen al bekendheid door zijn collages, poëzievoordrachten op Dada-avonden en de Merzbau die hij in zijn huis in Hannover bouwde. Gedurende zijn hele leven bleef Schwitters daarnaast traditionele portretten, stillevens en landschappen schilderen, zoals hij geleerd had op de academie in Dresden. Deels om de kost te verdienen, maar zichtbaar ook voor zijn plezier.

Die dubbelzinnigheid proef je in de ruim dertig schilderijen op de tentoonstelling in het Stedelijk. In het boek Holland Dada van K. Schippers vertelt de vrouw van de wiskundige prof. H. Freudenthal hoe ze Schwitters in 1934 in Noorwegen ontmoette: “Bij het hotel in Djupvasshytta stond 's zomers ook een tent met Lappen, die net als Kurt Schwitters wat aan de toeristen wilden verdienen, souvenirs en zo. Schwitters ging daar elke dag koffie drinken. Hij praatte met die mensen, terwijl hij ze niet verstond. Hij was zo gefascineerd door taal. In Noorwegen maakte hij gewoon massaproduktie, maar ik geloof niet dat hij het erg vond.”

Voor deze expositie zijn alleen landschappen geselecteerd. Portretten van Lappen of bevriende hotelgasten ontbreken. Door de concentratie op één genre treden de onderlinge verschillen duidelijker aan het licht. Als toeschouwer moet je voortdurend op je hoede zijn, want naast mooie, bijna abstracte sneeuwlandschappen, soms met een eenzaam kruis, die je aan Caspar David Friedrich doen denken, hangen er ook sentimentele plaatjes. Besneeuwde naaldbomen die uitstekend geschikt zouden zijn als kitscherige kerstkaart. Je zou het schmieren met olieverf kunnen noemen. Of zijn het de lijsten die deze indrukken versterken? Enkele oorspronkelijke lijsten zijn goudkleurig, andere moderne zijn zwart geverfd.

Op de eerste overzichtstentoonstelling van Schwitters die in 1956 in het Stedelijk te zien was, hing nauwelijks laat werk. Voor de schilderachtige collages en assemblages die hij in Noorwegen maakte en later ook in Engeland bleef maken, bestond toen geen belangstelling.

Kunststromingen in de jaren zestig en zeventig, zoals arte povera, happenings en performances die kunst en leven wilden integreren, brachten daarin verandering. Was dit late werk uit Engeland al in 1985 te zien op een retrospectieve in Londen, de Noorse schilderijen kwamen pas vorig jaar voor het eerst uit de depots van de Londense Kunsthandel Marlborough International Fine Art voor de grote Schwitters-tentoonstelling in het Centre Pompidou in Parijs.

De laatste decennia is de blik op het modernisme verruimd. Men durft ook de interne tegenstellingen te tonen. Oeuvres worden niet langer angstvallig van alle vreemde smetten vrij gehouden. Voorbeelden zijn het late, figuratieve werk van Malevitsj en de provocerende schilderijen uit de 'période vache' van René Magritte. En vond Mondriaan het tafeltje waaraan hij uit armoede zijn stervende chrysanten tekende werkelijk zo 'vies' als hij het tegenover anderen deed voorkomen?

“Staande op een hoge berg voel je je vrij en gelukkig”, schreef de avantgarde kunstenaar Schwitters in zijn Engelse dagboek. “Rondom zie je grotere en kleinere bergen, je voelt de muziek die ze samen maken, niets lijkt het zicht te bederven. You feel happy.'