Betrokkenen willen oplossing voor kwestie joodse smartegelden

ROTTERDAM, 8 OKT. De stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) en de Koninklijke Notariële Broederschap (KNB) willen hun conflict over de uitkering van Duitse smartegelden uit de weg ruimen. Beide partijen bevestigden vanmorgen dat er binnenkort een gesprek komt.

Notarissen in Nederland beheren een onbekend bedrag aan schadevergoedingen die door Duitsland na de Tweede Wereldoorlog ter beschikking zijn gesteld van oorlogsslachtoffers en hun nabestaanden. Het gaat om gelden waarvoor de notarissen geen rechthebbenden hebben kunnen vinden en dat zij volgens JMW ten onrechte onder zich houden. De stichting JMW stelt dat het geld aan haar moet worden overgemaakt, omdat zij naar eigen zeggen al in 1973 is aangemerkt als beheerder van de uitkeringen. De KNB meent echter dat niet juridisch is vast komen te staan dat JMW de rechthebbende is in deze kwestie. “Wij geloven de stichting JMW wel, we twijfelen niet aan haar integriteit, maar we missen de documenten die dat formeel bevestigen”, zegt KNB-woordvoerder P. de Vos.

De zaak is aan het rollen gekomen door een boek dat volgend voorjaar verschijnt ter gelegenheid van het 50-jarige bestaan van de stichting JMW. De auteur van het boek, de emeritus-hoogleraar I. Lipschits, stelt op grond van archiefonderzoek vast dat notarissen ten onrechte geld voor joodse rechthebbenden onder zich hebben gehouden. “In de meeste gevallen is het netjes gebeurd, maar helaas niet in alle”, zegt Lipschits.

De Duitse regering heeft na de Tweede Wereldoorlog enkele honderden miljoenen marken uitbetaald aan joodse oorlogsslachtoffers. Een bedrag van 235 miljoen werd onder meer uitgekeerd als vergoeding voor geroofde joodse huisraad. Daarnaast werd in 1962 tussen Nederland en Duitsland een immateriële schadevergoeding overeengekomen, waarvan 125 miljoen mark bestemd was voor Nederlandse slachtoffers - behalve joden, waren dat ook zigeuners en Jehova's-getuigen.

“Degene die de claim indiende voor zichzelf of een familielid kon daarvoor punten verzamelen. Een ster dragen was zoveel gulden, een verblijf in een kamp was zoveel gulden per dag, een sterfgeval was 3140 gulden”, legt Lipschits uit. De gelden werden door de Duitse regering aan Nederland overgemaakt, waar ze uiteindelijk terechtkwamen bij de Nederlandse notarissen die op zoek gingen naar erfgenamen.

Een deel van de erfgenamen kon niet worden getraceerd door de notarissen. “Dan werd bijvoorbeeld 87 en nog wat procent uitgekeerd aan de ene rechthebbende en dan bleef het andere deel bij de notaris. De notaris ging dan op zoek naar de andere erfgenaam, die natuurlijk in de meeste gevallen vaak niet meer in leven was. Veel notarissen zeiden dan na verloop van tijd: ik maak het over aan de stichting JMW”, vertelt Lipschits, “maar dat deden ze niet allemaal.” Lipschits geeft als voorbeeld de notaris G. Meuleman die 1.201.286 gulden niet uitkeerde aan JMW en die om die reden ook door het tuchtcollege, de Kamer van Toezicht over de notarissen en de kandidaat-notarsiseen, werd ontheven van het beheer over de smartegelden.

JMW vindt dat de notarissen alle gelden aan haar moeten overboeken. In 1973 werd stichting JOKOS, die de uitkeringsgelden beheerde, opgeheven. “De erfgenaam van deze stichting, zo staat in de statuten, was het JMW”, zegt JMW-voorzitter F. Ensel. Volgens Lipschits werd de stichting JOKOS opheven en werden de baten daarvan verdeeeld, waarbij een derde ging naar behoeftigen in Israel, een derde naar Nederlandse joodse kergenotschappen “en de rest, dus ook die gelden die nog bij notarissen stonden, naar JMW”.

De KNB erkent echter de JMW niet als rechthebbende en zegt te wachten op “resterende documenten waar de KNB de stichting 1994 heeft gevraagd”, waaruit zou moeten blijken dat aanspraak kan worden gemaakt op de gelden. JMW-Voorziter Ensel ontkent dit niet: “Er werd gevraagd om documenten die met de zaak weinig te maken hebben. Wij hebben toen gezegd: dit is een heilloze weg met de broederschap.” Ensel ergert zich aan de uitlating van de KNB dat de gelden veilig onder beheer zijn. “Een beetje flauw en kinderachtig vind ik dat. De Zwitserse banken zeggen dat waarschijnlijk ook over het in de oorlog geroofde joodse kaptitaal dat al die tijd op hun rekeningen stond.”