Waar is het spek?

Een borstbeen, een tongbeen, 49 rugwervels, 10 paar ribben, een onderkaak met 42 tanden, twee bekkenbeentjes en een indrukwekkende schedel. Bij elkaar vormen de botten een 1.000 kilo wegend potvissenskelet. Zo'n skelet is vanaf 4 oktober te bezichtigen bij het Natuurmuseum Rotterdam.

Met de onthulling daarvan bestempelt het Natuurmuseum meteen de opening van haar nieuwe onderkomen in het Museumpark aan de Westzeedijk.

Het 15 meter lange potvissenskelet staat tentoongesteld in de zonovergoten vitrine waar zich de ingang van het museum bevindt. Het boezemt weliswaar ontzag in, maar er blijft een onbevredigend gevoel. Het skelet vertegenwoordigt namelijk slechts een dertigste deel van de potvis (Physeter macrocephalus).

Waar zijn de overige 29.000 kilo aan spek, spieren en organen van deze grootste vertegenwoordiger van de tandwalvissen? Waar zijn de inktvisresten die werden aangetroffen in de slokdarm, waar is de huid die littekens van octopustentakels droeg? En wat is er overgebleven van de 1.900 liter spermaceti, de witte wasachtige substantie die de potvis in zijn enorme kop verbergt en waarvan men niet weet waarvoor het dient.

Volgens de ene theorie fungeert het als kussen om de druk te weerstaan als de potvis naar prooi zoekt - soms op wel 1.000 meter diepte; volgens de andere theorie speelt het spermaceti een rol bij de communicatie, bij het opvangen van sonargolven die soortgenoten uitzenden.

Het enige aan het skelet dat de aanwezigheid van deze wasmassa verraadt is 'de badkuip van Neptunus', de holte die wordt gevormd tussen het enorme, halfronde achterhoofdbeen en de bovenkaak. De was wordt verwerkt tot kaarsen en veel gebruikt als smeermiddel in zalven en cosmetische crèmes.

Het grootste deel van de potvis is verdwenen tijdens het afspekken en uitbenen, een karwei dat zich voltrok op het strand tussen Kijkduin en het zuidelijke havenhoofd van Scheveningen. Daar spoelden op 12 januari 1995 drie potvissen aan, jong volwassen mannetjes, ongeveer dertig jaar oud. Ook dat incident werpt vragen op.

Hoe kan het dat in de periode van november 1994 tot januari '95 tweeëntwintig potvissen op Noordzeekusten strandden? Waarom volgden ze niet hun normale Atlantische route, waarom sloegen ze bij Schotland ineens linksaf en zwommen ze de Noordzee binnen, hun dood tegemoet?

Wat moesten ze in deze zee, waar hun voornaamste voedselbron, pijlinktvissen, niet voorhanden is en die voor potvisbegrippen bovendien zo ondiep is als een kinderbadje? Vragen die door het skelet niet worden beantwoord.

De witte restanten van dit zoogdier zijn indrukwekkend, maar de omhulling is helaas niet te bezichtigen. Die is teruggenomen door de golven en ligt begraven op de Noordzeebodem.