OM handelde niet tegen aanwijzing minister

In het artikel over de verhouding tussen de minister van Justitie en het openbaar ministerie in NRC Handelsblad krant van 3 oktober wordt in de laatste alinea de aan mij opgelegde berisping als voorbeeld aangehaald. De wijze waarop dat is beschreven geeft een onjuist beeld van de aanleiding tot die berisping.

Ik bestrijd dat ik, zoals gesteld, “tegen haar aanwijzing de rechter vroeg het OM niet-ontvankelijk te verklaren”. Dit is de kern van het door mij tegen die berisping aangetekende bezwaar. In mijn bezwaarschrift, waarop nog (steeds) geen beslissing is gegeven, heb ik nadrukkelijk aangegeven dat ik meen de aanwijzing juist wel te hebben opgevolgd, namelijk door vervolging in te stellen.

Dat ik de niet-ontvankelijkheid zou hebben gevorderd “omdat ik het met het euthanasiebeleid niet eens ben”, is evenmin juist. Zoals terecht geschreven, werd de vervolging ingesteld om jurisprudentie te verkrijgen over de problematiek van de levensbeëindiging van pasgeborenen.

Mijn vordering geeft dan ook geenszins de een of andere persoonlijke mening weer. De vordering zoals die is gedaan had ten doel het verkrijgen van de zozeer gewenste jurisprudentie. Over de vraag of de overheid een arts wel mag verplichten mee te werken aan zijn eigen veroordeling is in de onderhavige soort zaken nog geen rechterlijke uitspraak voorhanden. Het leek mij dan ook niet meer dan logisch dat die vraag in dit 'proefproces' aan de orde moest komen.

Dat het rechterlijk antwoord op die vraag de wetgever wel eens voor een heel nieuw probleem in de benadering van de levensbeëindigingsvraagstukken zou kunnen stellen is evident, maar dat mag geen reden zijn om dan maar de vraag niet te stellen. Indien de wetgever wil voorkomen dat bepaalde vragen aan de rechter worden voorgelegd moet de wetgever doen wat zijn taak is: wetgeven.

Nu de oplossing van een politiek probleem aan de strafrechter (en daarmee aan officieren van justitie) wordt overgelaten behoort de oplossing ook volgens de regels van dat rechterlijk proces, zoals dat in het Wetboek van Strafvordering is neergelegd, te verlopen.

In hoeverre de minister ten opzichte van het openbaar ministerie in dat proces mag ingrijpen is onderwerp van de tegen mijn berisping lopende bezwaarproceure (hetgeen overigens 'door' de minister wordt bestreden). Ik wil daar niet op vooruitlopen.

Met betrekking tot de mening van de minister dat zulks zou moeten kunnen verwijs ik naar de brief die de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak daarover op 17 september 1996 aan de voorzitter van de Tweede Kamer heeft gezonden. Daarin wordt onder meer een passage uit het eindrapport van de Enquêtecommissie Opsporingsmethoden aangehaald eindigend met de zin: “Het impliceert dat het optreden van het openbaar ministerie beleidsmatig door de minister en per individuele zaak door de rechter wordt gecontroleerd”. Uit bovengenoemd artikel kon ik niet opmaken of deze brief in de bespreking door de Kamercommissie aan de orde is geweest.