Jazz-serie in het Concertgebouw is vervolg op een korte traditie uit de woelige jaren '50; Nachtconcerten met politie in de Grote Zaal

Jazz in het Concertgebouw: 14/10 Mingus Big Band en Dutch Jazz Orchestra o.l.v. Jerry van Rooijen; 25/11 Carnegie Hall Jazz Band; 11/3 Lincoln Center Jazz Orchestra o.l.v. Wynton Marsalis plus Cassandra Wilson en Jon Hendricks (vocaal); 1/4 'Tenor Summit' met Joe Lovano, Joshua Redman en Wayne Shorter.

Volgende week maandag begint de serie 'Jazz in het Concertgebouw'. Jazz in het Amsterdamse Concertgebouw? Vraag het een oudere jazzfan en zijn geheugen treedt waarschijnlijk zo hevig in werking dat de beelden aan elkaar gaan kleven als vochtige foto's in een volle koffer. De beelden van legendarische artiesten als Lester Young, Bud Powell en natuurlijk Art Blakey, wiens Blues March immers zo immens populair was.

Maar ook die van het 'artistieke' publiek, van Remco Campert en Simon Vinkenoog tot Karel Appel en die andere 'vogel', ja, hoe heette die ook weer, die zijn jenever zó uit de fles dronk. Intellectuelen, gekleed in schipperstrui en houtje-touwtje jas met in de zak een boek van Sartre. De meisjes van ballet in strakke maillots, de ogen gitzwart opgemaakt, het haar sluik en lang, net als Juliette Gréco. Of misschien wel in de coupe van Pascale Petite, want die speelde een hoofdrol in 'Zondaars in spijkerbroek, oftewel Les Tricheurs, een Franse speelfilm met muziek van Jazz at the Philharmonic (JATP), 'mieterse' muziek van de beste boppers.

'De jazz was in die jaren overal, ik heb zelfs bij een jazzconcert mijn vrouw ontmoet, mijn eerste dan. Maar dat was in de Sheherezade, een club vlakbij het Rembrandtplein, die wij onder elkaar de Zade noemden en ...'

Het Concertgebouw, waar vroeger 'zoveel' aan jazz werd gedaan, bracht de jazz alleen in de jaren '50 en de vroege jaren '60 en dan nog slechts vier keer per seizoen. De uitzondering was het seizoen '57-'58. Toen leek het niet op te kunnen: Stephane Grappelli, Erroll Garner, Miles Davis, Benny Goodman, Dizzy Gillespie, Stan Getz, Sarah Vaughan en Oscar Peterson. Alleen de eerste en de laatste leven nog.

De reguliere programmering van jazzmuziek in het Concertgebouw begon in 1952, toen de jonge impresario's Paul Acket en Lou van Rees allebei vochten om Dizzy Gillespie. Acket had hem 's avonds geboekt in de Scheveningse Kurzaal en stapte naar Van Rees met het voorstel de trompettist voor een een dubbeltje per verkochte plaats van hem over te nemen voor een nachtconcert in Amsterdam. 'Daar komt geen hond op', schijnt Van Rees te hebben gezegd. Maar Acket wist hem over te halen: 'Ik geloof dat het een attractie is, nachtconcerten, laten we het maar op een accoordje gooien.'

Het gevolg was dat Amerikaanse jazzmusici in Nederland jaren lang twee sets speelden met als pauze een taxi- of busrit van zo'n zeventig kilometer tussen Den Haag en Amsterdam. Het financiële risico van deze concerten lag bij de impresario's want, zoals Acket later vertelde: 'Aan het Kurhaus of het Concertgebouw kon je nooit iets verkopen.' De zalen waren verhuurbedrijven en wachtten rustig af wat de impresario's brachten.

In een enkel geval wachtte men onrustig, zoals op 24 maart 1956 toen de big band van Lionel Hampton op het programma stond. Voor alle toegangsdeuren stond politie en dat was begrijpelijk. Had deze wildeman twee jaar daarvoor het publiek in de Apollohal, slechts een flinke steenworp verder, niet stampend door de houten vloer laten gaan? Hoe het in het Concertgebouw afliep is te zien op een grofkorrelige foto van Ed van der Elsken, destijds dè fotograaf van de jazz. Met een door 'oom agent' van het podium gevoerde Lionel Hampton, natuurlijk breed grijnzend omdat hij het andermaal voor elkaar had gekregen.

Van de slogan 'any publicity is good publicity' had het brave Nederland nog nooit gehoord en zeker niet de echte, dus goedwillende jazzfan die zijn muziek dolgraag wilde verheffen. Een paar jaar later kreeg die alsnog zijn zin met de muziek van pianist Dave Brubeck en van het Modern Jazz Quartet. De laatste groep was, anders dan Brubeck, wel zwart, maar dat kon je absoluut niet horen. De fuga's en rondo's waren niet van de lucht, zodat de jazz toch nog de begeerde status kreeg: die van serieuze concertmuziek.

Het resultaat blijkt begin jaren zestig als de oudere jazzfans zich gaan wijden aan huis en haard terwijl de jongeren en masse verstek laten gaan. Vooral als verzetsmuziek blijkt rock onnoemelijk veel sterker. Vergeleken met de manier waarop de Rolling Stones in augustus '64 in no-time de Scheveningse Kurzaal verbouwen was de madman's-act van Hampton net zo oubollig als een avondje sneldichten met Willy-roept-u-maar-Alfredo.

In datzelfde jaar 1964 sluit saxofonist John Coltrane voor jaren de deur van het Concertgebouw voor de jazz. Voor klassieke oren ligt de jazzmuziek nog veel te ver weg, voor de steeds jongere jongeren is die veel te abstract.

Pas decennia later keert in het Concertgebouw langzaam het getij, nadat elders is bewezen dat jazz toch weer kan. In de Doelen in Rotterdam (Newport Jazz) en het Congresgebouw in Den Haag (North Sea) door Paul Acket, die ditmaal wel wordt gesponsord door deze gemeentelijke zalen. In Amsterdam begon t-shirt koning Hans Loonstijn in '88 in de Tuschinski-bioscoop met nachtconcerten oude stijl met als extraatje voor de duurste rangen 'gratis champagne'. In deze sfeer van nostalgie duiken vele oude bekenden op: Oscar Peterson en het MJQ bijvoorbeeld. Ook good old Art Blakey is er weer, zij het inmiddels aan minstens één oor doof. Geen bezwaar om nog eens de Blues March spelen, tot vreugde van alle oude jongens van toen.

In 1996 - de jazz behoort inmiddels tot de (subsidiabele) kunst met alle stichtingen en sponsors van dien - bekent het eerbiedwaardige Concertgebouw zich opnieuw tot de jazz, voor vier concerten, hetzelfde aantal als waar het destijds mee begon. Directeur Martijn Sanders, een oud-jazz-recensent, heeft geconstateerd dat vele tot de klassieke muziek bekeerde bezoekers van zijn gebouw hun zondige jeugd nog niet helemaal hadden afgezworen. In samenwerking met het impresariaat Taking Care of Business (van 'North Sea') werd vervolgens het programma samengesteld. Dat het Concertgebouw deze keer wel deelt in het risico en de concerten beginnen op een normale tijd onderstreept dat de jazz al lang geen sluikhandel meer is voor de underground: vast geen politie voor de deuren van de zaal.