Het verleden is slecht te bedwingen

Gisteren is Eva gestorven, 83 jaar oud, aan de gevolgen van onderkoeling en uitputting. Een paar dagen geleden was ze in haar bad gevonden. Ze had er niet meer uit weten te komen en had uren in het water gelegen.

De politieagenten die haar deur hadden opengebroken en de verplegers van de opgeroepen ambulance wikkelden haar in isolerend folie en warme dekens, en bonden haar met riemen vast op een brancard. Anders konden ze haar de trap niet afdragen om haar naar het ziekenhuis te brengen.

Ik wil wel aannemen dat de politieman keurig de voorgeschreven procedures volgde toen hij dit kleine verwarde vogeltje poogde uit te leggen wat er aan de hand was en wat men met haar ging doen. Maar het effect was rampzalig: 'politie . . . vastgebonden . . . meenemen'. Toegegeven, toen ik hem zei dat deze woorden in haar geval bij uitstek niet geruststellend waren, zweeg hij direct; maar het kwaad was al geschied. “Laat me gaan”, klonk het, heel zwakjes, uit een verre, andere wereld en even gingen haar bange bruine ogen wijd open: “Laat me gaan.” “Het is goed, Eva”, probeerde ik nog, maar ze was te angstig en viel al weer weg, “Eva, het is in orde, er wordt voor je gezorgd.”

Het was ook al een Nederlandse rechercheur die in december 1940 Eva's joodse vader, een voormalig SDAP-wethouder, thuis was komen arresteren, waarschijnlijk na een tip van een NSB'er. Hij stierf in 1942 in Mauthausen. Het waren opnieuw Nederlanders op jodenjacht die in 1943 Eva's twee onderduiksters weghaalden, een baby en een jong meisje.

Zelf werd ze, na lang te zijn gezocht, gepakt door de SD; toen was het al januari 1945, gelukkig te laat om haar nog op transport te stellen, maar dat wist zìj niet, al die maanden dat ze, tot de bevrijding, gevangen zat aan de Amstelveenseweg en de Weteringschans. Dezelfde Amsterdamse gevangenissen als haar vader had doorlopen en waar haar verzetsvrienden hadden gezeten voor ze werden gefusilleerd. “Ik was anti-nazi, anti-Duits heb ik nooit kunnen zijn”, zei Eva altijd: “Daarvoor heb ik te veel foute Nederlandse politiemensen meegemaakt.”

Had die aardige jonge politieagent beter kunnen weten? Misschien wel: zo'n oude mevrouw met zo'n opzichtig joodse naam op de deur. Dat moet je toch aan het denken zetten. Maar hij deed in elk geval zijn best.

Dat kan helaas niet worden gezegd van de chirurg die een paar weken terug mevrouw X. onder het mes had, die als politiek gevangene Vught en een reeks Duitse kampen overleefde. De patiënte had de behandelend geneesheer haar geschiedenis van te voren nadrukkelijk uitgelegd: “Zorgt u alstublieft dat ik echt weg ben als u begint te opereren, anders ben ik direct terug in die hel en sla ik al uw instrumenten uit uw handen.”

“Ja mevrouwtje, het komt in orde mevrouwtje, weest u maar niet ongerust mevrouwtje”, of woorden van gelijke strekking had ze ten antwoord gekregen. Maar geluisterd was er kennelijk niet, want ze was toen hij begon nog enigszins bij kennis en ging inderdaad vechten op de operatietafel, zodat ze aan het medisch ingrijpen een gebroken rib overhield. Plus een diep gevoel van verontwaardiging over zoveel arrogantie en dientengevolge zoveel onnodig leed.

Het kan ook anders. T., die met X. in Vught zat en daarna nog in Ravensbrück, moest een aantal jaren terug eveneens een ernstige operatie ondergaan. Meer dan tegen de operatie zag ze op tegen het verblijf op een slaapzaal. Ze schaamde zich bij voorbaat voor wat dat wellicht aan gevoelens en herinneringen in haar teweeg zou brengen en vreesde met eventuele nachtmerries haar medepatiënten te zullen storen. Wij, haar vrienden, drongen er bij haar op aan dit van tevoren duidelijk tegen haar dokter te zeggen, hoe bang ze ook was een lastpak en een aanstelster te lijken. Deze extra angst moest haar, meenden wij, maar bespaard blijven.

Het had effect. Ze werd begrepen en met zorg behandeld. Er werd haar verzekerd dat er op haar zou worden gelet, dat ze zich niet hoefde te schamen, en dat ze zodra het kon een aparte kamer zou krijgen. Zelfs aan haar 'was-complex' (want “erger dan de honger in het kamp was dat je vervuilde; ik heb nadien bij internationale crises altijd zeepjes gehamsterd”), werd met een extra uitgebreide wasbeurt tegemoet gekomen.

“Ik heb die dokter ook gezegd”, legt T. uit, “dat ik niet tegen in bed liggen kan. Ziek zijn en blijven liggen betekende immers je dood toen. Ik word daar nog steeds angstig van. Dus hoe beroerd ik ook ben - mij moeten ze maar gewoon in een stoel laten zitten.”