Het recht op eenzaamheid

Nieuwe Wereldtijdschrift. Dertiende jaargang nr. 5 September-oktober 1996. Verschijnt tweemaandelijks. Losse nummers ƒ 13,50.

“Het Ik met zijn onverbiddelijke gelijk is slechts op één plaats koning: in de literatuur. Het literaire denken begint daar, waar het gemeenschapsdenken ophoudt.” Deze mooi geformuleerde waarheid-als-een-koe is afkomstig van György Konrad en wordt geciteerd door Mark Schaevers, die in het september/oktober-nummer van het Nieuw Wereldtijdschrift (NWT) een essay aan de Hongaarse schrijver wijdt. De essays overheersen dit NWT: het opent er met één van de Israelische romanschrijver Amos Oz en piece de résistance is een doorwrocht betoog van Enzensberger over luxe.

Het lijkt een beetje een samenraapsel, maar hoofdredacteur Herman de Coninck doet in het voorwoord een manhaftige poging om zowel de essays als de literaire bijdragen (onder andere verhalen van Leo Pleysier, Andreas Sinakowski, Irvine Welsh en de 'zeer zwarte, zeer lesbische gettoschrijfster' Sapphire) met elkaar te verbinden. Volgens hem gaat dit nummer in hoofdzaak over het volgende dilemma: 'Utopieën zijn zijn gevaarlijk, maar een samenleving zonder utopieën is minstens even gevaarlijk.'

De enige die expliciet ingaat op deze paradox is Oz met de vraag hoe het toch komt dat de sociaal-democratie op de terugtocht is: “zij kent geen utopie en haar verworvenheden zijn inmiddels even vanzelfsprekend als een paar gemakkelijke pantoffels”. “De sociaal-democratie had geen eindbestemming of beloofd land”, zegt hij. Historisch gezien is dat onjuist, want ook de sociaal-democratie begon met een belofte van het paradijs op aarde. Het gebrek aan passie vindt Oz de grote verdienste van de sociaal-democratie, maar tegelijk verlangt toch ook hij naar een ideale maatschappij. In zijn visie is dat een soort moderne kibboets, waarin tegemoet wordt gekomen aan de menselijke behoefte aan solidariteit en medemenselijkheid, zonder dat dit ten koste gaat van 'de dorst naar privacy, individualiteit en een zekere mate van eenzaamheid'.

Recht op eenzaamheid is een zelden gehoorde politieke eis, die mooi rijmt met Konrads probleem met het 'gemeenschapsdenken', maar ook met de opvatting van Enzensberger dat de luxe tegenwoordig bestaat uit eenvoud en rust. “Schaars, zeldzaam, duur en begerenswaard zijn in het teken van de woekerende consumptie niet snelle automobielen en dure polshorloges die op de hoek van iedere straat te krijgen zijn, maar elementaire levensvoorwaarden als rust, schoon water en voldoende plaats. Merkwaardige omkering van een logica der wensen: de luxe van de toekomst neemt afscheid van het overbodige en streeft naar het noodzakelijke, waarvan te vrezen valt dat het nog zeer weinigen gegeven zal zijn.”

Het niveau van de essays in NWT is heel behoorlijk, maar omdat de inhoud ervan weinig actueel is (het wezen van de sociaal-democratie en de veranderende inhoud van het begip luxe zijn niet bepaald prangende onderwerpen) geven ze het tijdschrift als geheel iets traags.

Zo tijdloos als de essays, zo up to date zijn de literaire bijdragen, in het bijzonder het verhaal van Irvine Welsh, 'De zaak van Granton Star', in een uitstekende vertaling van Ton Heuvelmans, dezelfde die Welsh' succesroman Trainspotting vertaalde. Irritant is de populariserende inleiding die de redactie erbij levert ('het verhaal switcht van zeg maar sociaal realisme via Kafka naar de Sade'), maar een talent als Welsh kan dat wel hebben. Bob, de hoofdpersoon van 'De zaak van Granton Star', wordt als straf voor zijn ongeïnteresseerde manier van leven door God veranderd in een vlieg. In die gedaante duikt hij een tijdje onder bij een kennis die hem beschermt en hem verblijdt met een schoteltje inkt waarin hij zijn pootjes kan dopen voor het opschrijven van boodschappen. 'Eén in het bijzonder was uiterst koortsachtig neergeschreven: VETTE KUTSPIN IN BADKAMER'. Ondanks het vernietigen van de spin en het weggooien van de bus insectenspray valt Bob niet te redden. Hij blijkt namelijk de eerste vlieg met een Oedipus-complex en gaat daaraan ten onder.

Minder grotesk en minder goed geschreven is het verhaal van Sapphire, de zwarte vrouw zonder achternaam, die debuteerde met de de roman Push. Voor NWT schreef ze 'Er is een raam', over twee vrouwelijke gevangenen die op een uitgehongerde, weinig erotische wijze seks met elkaar bedrijven. “Ze wroette met haar neus in mijn oor, haar hete vochtige lippen in mijn nek. 'Noem me Pappie', fluisterde ze. (...) Prima, Pappie, spotte ik. Doe je beha uit.” Niet erg opwekkend allemaal, maar het verhaal maakt me wel nieuwsgierig naar haar roman, en dat is niet de onbelangrijkste functie van een literair tijdschrift.