HARRY MULISCH OVER Kind en Kraai

Nationale Reisopera: Kind en Kraai door Judith Vindevogel; Aap verslaat de Knekelgeest. Première: 12/10 Schouwburg Hengelo. Tournee t/m 5/11. Inl.: 053-4878500.

“Kind en Kraai schreef ik in 1975, vier jaar na de geboorte van mijn eerste dochter. Ik schreef het niet in de euforie van het prille vaderschap. Er moesten een paar jaar voorbijgaan. Een baby inspireerde me kennelijk niet. Pas als een baby een klein mens wordt en woorden spreekt, dan trekt het me aan. Dan is het iemand.”

De gedichtencyclus Kind en Kraai van Harry Mulisch werd in 1977 door Peter Schat voor piano en sopraan op muziek gezet en uitgevoerd door zangeres Marjanne Kweksilber en pianist Reinbert de Leeuw. Nu maakt de Nationale Reisopera er, voorafgaand aan Schats opera Aap verslaat de Knekelgeest, een theatervoorstelling van in de regie van Ernst-Theo Richter.

“Ik ga me laten verrassen door wat ik te zien krijg. Het is net als met een roman die een cineast inspireert tot een film. Daar schep ik plezier in: dat iets dat ik lang geleden maakte een nieuw leven krijgt, eerst als een muzikale uitvoering en nu als theatervoorstelling. Kunst is de wereld van de vrijheid. Voor iedereen. Dichters, componisten - en ook voor regisseurs.

“Ik gun de regisseur alle fantasie. Ik behoor niet tot die schrijvers die vinden dat je niet aan hun werk mag komen. Je moet genereus zijn. Kijk eens naar Oedipus van Sophocles. Hij maakte van een oude mythe een tragedie, en vervolgens lieten talloze dichters en schrijvers zich door zijn tragedie inspireren. Ook ik heb mijn Oedipus-toneelstuk geschreven. Het is mooi dat een geschreven tekst blijft voortleven en telkens nieuwe visies veroorzaakt.

“Mijn moeder las mij veel voor, vooral Duitse kindergedichten van Wilhelm Busch. Toen ik vier jaar was, kende ik al die rijmen uit mijn hoofd. Het toeval wil - maar ik geloof niet in toeval - dat ik met dichten begon in 1971, het geboortejaar van mijn dochtertje. Toen verscheen de bundel De vogels. Zij werd vier en ik schreef Kind en Kraai. Nee, ik heb het haar nooit voorgelezen; werk en gezin moet je gescheiden houden.

“Bij het schrijven was er eerder een formele aanleiding dan een emotionele. Die knittelverzen van Busch dreven in mijn hoofd. Toen ik vader werd, kwam het er weer uit. De aanleiding was het eigen kind; ik werd weer het kind dat ik was geweest. Ik had ook veel plezier in het schrijven van deze verzen. Ik telde de versvoeten met mijn vinger op tafel. Vanaf het moment dat ik de formele bedding van de verzen gevonden had, schreven de gedichten zich vanzelf. Daarin moest ik als schrijver een heel nederige houding aannemen.

“Net als een kind gaat deze gedichtencyclus steeds verder van je weg. Eerst is er een componist die met noten aankomt, vervolgens een regisseur die er theater van maakt. Er kan van alles gebeuren met een tekst. Zo ook met een kind: dat doet dingen die je bevallen en die je ook weer niet bevallen. Het leidt uiteindelijk een eigen leven. Dat moet ook.

“Met theater heb ik nog maar weinig bemoeienis. Na de rampzalige Actie Tomaat, een ware slachting, leed het Nederlandse toneel aan een slecht begrepen erfenis van Grotowski en Antonin Artaud. Twee, drie zinnen zeggen en dan op de grond gaan rollen. In de Stadsschouwburg moet een nationaal toneel komen dat het repertoire speelt, de Grieken, Shakespeare. Dat wil toch iedereen? Kijk naar een willekeurige stad in het Ruhrgebied: een eigen theater, een eigen gezelschap.

“Het theater bevindt zich niet in het centrum van mijn talent. Dat is de roman. Ik ben een romanschrijver die ook dicht en voor het toneel schrijft. Sommige schrijvers legden zich uitsluitend toe op de roman, zoals Kafka of Dostojevski. Dat heeft niets te maken met het niveau, maar met het type schrijver. Tussen 1971 en 1981 schreef ik poëzie, daarna hield het op. Dus de aanleiding was wel het vaderschap maar terwijl het vaderschap nog doorging, want gelukkig zijn mijn kinderen er nog, hield het schrijven van poëzie op. Hiermee is verklaard dat het dichten lang niet alles te maken heeft met psychologische drijfveren. Martinus Nijhoff zei het ook zo: 'Een dilettant dicht zijn gevoel, een dichter weet zijn gedicht.' Het laat zich nauwelijks uitleggen, maar ik wìst Kind en Kraai.”