Hard op weg naar de ene munt

'Hier zijn geen woorden voor', zei een beurshandelaar, geciteerd in The Wall Street Journal. Hij sprak over Italië, maar dezelfde opwinding gold ook voor Spanje en Zweden. In drie weken tijd zijn deze drie 'probleemlanden' radicaal vooruit gegaan. Zelfs brutale handelaren zijn even sprakeloos over het tempo waarin de rente in Italië, Spanje en Zweden op weg is naar het lagere rentepeil in Duitsland, Nederland en Frankrijk.

Was de Italiaanse rente aan het begin van dit jaar nog 5 procentpunten hoger dan in Duitsland, nu is dat verschil nog maar 2,3 procent. Afgelopen woensdag kromp het verschil tussen de Italiaanse en de Duitse rente in één dag met 0,14 procentpunt. Zo'n lagere rente betekent dat de Italiaanse minister van Financiën iedere aflopende staatslening tegen een gunstiger tarief kan verlengen.

Of de Italiaanse rente inderdaad zo laag blijft weet niemand, maar het is in keurige financiële kringen gebruikelijk om bij projecties voor de toekomst de meest actuele rentecijfers te hanteren in alle scenario's voor volgende jaren. Zo doet minister Zalm het hier in Nederland en dus ook zijn Italiaanse collega. Daarom betekent één succesvolle dag zoals afgelopen woensdag dat de verwachte toekomstige rentebetalingen op de Italiaanse staatsschuld verminderen met een bedrag dat uiteindelijk oploopt tot 3 miljard gulden per jaar. Dat is mooi uitgespaard en betekent dus ook dat toekomstige projecties van het Italiaanse financieringstekort met uiteindelijk 3 miljard gulden kunnen dalen. En zo ontstaat een gunstige spiraal van elkaar versterkende optimistische verwachtingen. Eerst daalt de Italiaanse rente en krimpt het renteverschil tussen Italië en Duitsland. Onmiddellijk resulteert een gunstiger toekomst voor het Italiaanse financieringstekort vanwege lagere kosten voor de rente op de hoge staatsschuld. Daarmee stijgt dan weer de kans dat Italië inderdaad mee mag doen met de gemeenschappelijke munt, misschien niet onmiddellijk op 2 januari 1999 maar dan toch kort daarna. Die grotere kans op Italiaanse participatie in de Euro brengt speculanten er toe om snel te beleggen in Italiaanse (of Spaanse of Zweedse) staatsschuld, want nu is de rente in die landen nog veel hoger dan in Duitsland, maar straks misschien niet meer. Door zulke acties van speculanten ontstaat extra vraag naar Italiaans, Spaans of Zweeds papier en dat leidt tot nog meer optimisme, hogere koersen en dus een nog lagere rente in die landen.

Meestal denken we bij een zichzelf versterkende spiraal in de financiële markten aan iets heel akeligs, waarbij de koersen dalen, meer beleggers gaan verkopen zodat de koersen nog meer dalen, waarna weer andere beleggers het hazenpad kiezen totdat uiteindelijk de beurs 'instort'. In de markt voor de Italiaanse staatsschuld is de laatste drie weken het omgekeerde het geval. Een lagere rente leidt tot optimisme en dat veroorzaakt om logische, economische redenen een nóg lagere rente.

Een extreem gedachtenexperiment kan het best duidelijk maken wat hier aan de hand is. Als de beleggers allemaal zouden geloven dat Italië zeker mag meedoen met de gemeenschappelijke munt, dan zou het renteverschil tussen Italië en Duitsland waarschijnlijk ongeveer helemaal verdwijnen. Dat is immers nu al de realiteit, niet alleen in Nederland en Frankrijk, maar bijvoorbeeld ook in België waar ondanks de hoge staatsschuld en de gammele politiek de rente slechts 0,15 procentpunt hoger is dan in Duitsland en Frankrijk. Maar als de markten ook Italië zo'n gunstige rente zouden gunnen, dan zouden de Italiaanse uitgaven aan rente op de staatsschuld zo sterk dalen in 1997 en latere jaren dat Italië zich automatisch en royaal zou kwalificeren voor de eis van het Verdrag van Maastricht dat het financieringstekort niet hoger is dan 3 procent van de economie.

Tot zover de spectaculaire financiële feiten van de afgelopen drie weken; nu een politieke voorspelling. Als de rente in Italië, Spanje en Zweden nog verder daalt naar het lage peil in Duitsland, Frankrijk en Nederland is dat ook prettig voor ons. Een lagere rente betekent meer winst voor het bedrijfsleven en lagere kosten bij toekomstige investeringen. Dus gaan Italiaanse, Spaanse en Zweedse bedrijven weer gemakkelijker nieuwe machines bestellen, Duitse fabrieken mogen die machines leveren, Nederlandse ondernemingen zorgen voor het vervoer en de Franse regering ziet met genoegen dat de economie aantrekt in de twee grote zuidelijke buurlanden. Zo'n zonnig scenario komt nog dichter bij wanneer Duitsland en Frankrijk bereid zijn te verklaren dat participatie van met name Italië en Spanje in de gemeenschappelijke munt best wel mogelijk is. En dat is dan ook precies wat nu gebeurt. President Chirac gaf vorige week de Italiaanse premier Prodi een pluim voor zijn beleid en sprak de hoop uit dat Italië meteen kan meedoen aan de Monetaire Unie. Oud-president Helmut Schlesinger van de Duitse Bundesbank liet zich in 'The Economist' ook al optimistisch uit over toekomstige participatie van Italië en Spanje. Onze eigen Wim Duisenberg legde in Washington geduldig uit dat de Amerikanen eens moeten ophouden met hun overdreven scepsis over de gemeenschappelijke munt omdat die er zeker komt. Steeds meer lijkt het erop dat de Euro inderdaad van start gaat op 2 januari 1999, niet alleen met de landen van de huidige Dmark-zone, Duitsland, Frankrijk, Nederland, België, Luxemburg en Oostenrijk, maar ook met Finland en Ierland. En als Italië, Spanje en Zweden hun toegangsbiljet voor de ene munt nog niet in 1997 ontvangen, dan krijgen die landen een hoge plaats op de wachtlijst met de belofte dat ze zeker welkom zijn vóórdat in 2002 niet alleen regeringen en banken maar ook burgers en bedrijven gaan betalen met de nieuwe munten en bankbiljetten. Zeker, op dit moment laten opinieonderzoeken in Duitsland nog zien dat een meerderheid van de ondervraagden huiverig staat tegenover deelname van Italië aan de gemeenschappelijke munt. Bondskanselier Kohl is echter vastberaden om ook dit laatste grote project van zijn glansvolle carrière tot een goed einde te brengen. Hij is natuurlijk gevoelig voor het zakelijke argument dat de Duitse industrie meer kan verdienen aan een stabiel Italië dan aan een land met een almaar depreciërende wisselkoers.

U en ik hebben nog een ander belang bij een voorspoedige geboorte van de ene munt. De West-Europese burgers moeten gemeenschappelijk beslissen over uitbreiding van de Europese Unie naar het oosten en over de steun aan Marokko en Algerije met hun extreem hoge werkloosheid en (Algerije) onzekere politiek. Dat vereist radicale verbeteringen in het landbouwbeleid én in het regionale beleid van de EU.

Dat is al moeilijk genoeg zonder dat één of twee boze lidstaten gaan dwarsliggen omdat ze niet hun zin hebben gekregen voor wat betreft de gemeenschappelijke munt. Omdat de EU immers grote beslissingen moet nemen met unanimiteit blijft Europa kwetsbaar voor obstructie door één of twee lidstaten. Engeland dreigde daarmee over de gekke-koeienziekte; niemand heeft er behoefte aan dat Italië en Spanje langdurig moeilijk gaan doen. Ook dat politieke risico wordt kleiner wanneer de gunstige spiraal van de afgelopen weken doorzet in Spanje en Italië. Dan kunnen die landen hun participatie in de gemeenschappelijk munt zelf verdienen en slagen ze straks eerlijk voor het examen van Maastricht.