Groei en inflatie

EEN NIEUW DEBAT bloeit op in de Verenigde Staten en het gaat over het aloude verband tussen groei en inflatie. Het is mogelijk, beweert een toenemend aantal economen in de Amerikaanse academische en de financiële wereld, om groei en meer banen blijvend te combineren met lage inflatie en lage rente. Volgens hen vormt de Amerikaanse economie het springlevende bewijs dat gematigde groei niet hoeft te leiden tot oververhitting.

Onlangs besloot de Federal Reserve Board, het bestuur van het Amerikaanse stelsel van centrale banken, om de rentetarieven niet te verhogen. Dat was tegen de verwachting van degenen die hadden gerekend op een vroegtijdige actie van de Fed om toekomstige inflatieverwachtingen te dempen. Nu is het rentebeleid in de VS veel meer een onderwerp van politieke discussie dan in (continentaal) Europa. Anderhalve maand voor de presidentsverkiezingen zou het beleid van de Fed in geval van een renteverhoging onmiddellijk onderdeel zijn geworden van de verkiezingscampagne. Dat risico heeft de Fed duidelijk willen voorkomen.

In de stellingname over rente, inflatie en economische groei tekenen zich uiteenlopende richtingen af. Een anti-overheidsstroming - de Republikeinse presidentskandidaat, Dole, behoort ertoe - beweert dat de Fed met zijn beleid het potentieel voor economische groei nodeloos beperkt. De Amerikaanse economie zou veel harder kunnen groeien als de rente maar verder omlaaggaat. Een rekkelijke stroming beweert dat bij een beetje inflatie de economie flexibeler werkt dan bij de prijsstabiliteit waarnaar de centrale bankiers altijd zeggen te streven. Van hun kant blijven de monetaire preciezen hameren op prijsstabiliteit als onmisbare voorwaarde voor duurzame economische groei. Maar zelfs daar is beweging te bespeuren: het Internationale Monetaire Fonds stelt in zijn jongste World Economic Outlook vast dat prijsstabiliteit (een inflatie van nul procent) economisch gezien niet optimaal is.

Dit is allesbehalve een academisch debat. Het is niet, zoals in de jaren zestig en zeventig, een kwestie van stimuleringsbeleid door de overheid om de economie aan te zwengelen. En het gaat evenmin om de oude afruil tussen inflatie en groei. Het heeft betrekking op diepgaande economische veranderingen, het gaat over flexibiliteit, telecommunicatie en mondialisering, drie kerngegevens van de hedendaagse markteconomie. En aangezien de Verenigde Staten op deze terreinen vooroplopen, zijn de aanwijzingen voor de veranderingen daar ook het duidelijkst zichtbaar.

IN EEN OPEN economie met flexibele markten voor goederen, diensten, kapitaal en arbeid doen zich geen uitgesproken cycli van hollen en stilstaan meer voor. De ruimte voor producenten om bij een toenemende vraag de prijzen te verhogen is beperkt omdat informatie over alternatieve aanbieders onmiddellijk beschikbaar is dankzij de elektronische revolutie van steeds krachtiger en steeds goedkopere chips. De concurrentie komt niet alleen van binnenlandse of buitenlandse ondernemers, maar vooral uit opkomende landen. Ook al is hun marktaandeel klein, hun gretigheid als goedkope producenten drukt het prijspeil. Verder bieden de geliberaliseerde financiële markten tegen de scherpste prijzen kapitaal aan. En ten slotte draagt de flexibiliteit van de arbeidsmarkten bij aan de afwezigheid van looninflatie. In de diensteneconomie heeft de traditionele industriële vakbondsmacht sterk aan invloed ingeboet.

De VS bevinden zich nu in het zesde jaar van economische groei, met een nagenoeg volledige werkgelegenheid, een teruglopend overheidstekort, een stabiele loonontwikkeling en lage inflatie. Het is niet gezegd dat deze uitzonderlijke situatie zich zal voortzetten, en onverwachte schokken zijn nooit uitgesloten. De Fed heeft tot taak nauwlettend toe te zien op de economische ontwikkelingen en bij de eerste signalen van oplopende inflatie te reageren. Maar het resultaat is op zijn minst opmerkelijk en het maakt duidelijk dat het verband tussen groei en inflatie in een flexibele economie anders werkt dan in starre economische verhoudingen. Alleen dit al zou de Europese economische beleidsmakers, geconfronteerd met een chronisch hogere werkloosheid dan in de VS, hard aan het denken moeten zetten.