Een goede Adams, slechte Bruckner

Concert: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Edo de Waart met werken van A. Bruckner en J. Adams. Gehoord: 5/10, Concertgebouw Amsterdam.

To Bruckner or not to Bruckner is de gewetensvraag die ieder orkest zich dit jaar lijkt te stellen. Het is misschien een voor de hand liggende vraag, maar wel één vol artistieke voetangels en klemmen - niet in de laatste plaats omdat je een Bruckner-symfonie vanwege de moeilijkheidsgraad en de lengte niet zo maar op het programma zet. En de vraag waarmee je deze werken moet combineren staat eveneens garant voor hoofdbrekens.

Het Radio Filharmonisch Orkest heeft Bruckners honderdste sterfjaar aangegrepen om een meerjarige cyclus met symfonieën en grote vocale werken te beginnen onder leiding van Edo de Waart, in navolging van de succesvolle Mahler-cyclus die het orkest in het recente verleden presenteerde. Programmatisch sluit het RFO zich aan bij de nieuwe trend Bruckner niet te beschouwen als symfonische Wagner-epigoon, maar als wegbereider van de twintigste eeuw. Zo combineerden het Koninklijk Concertgebouw en The Cleveland Orchestra het afgelopen seizoen symfonieën van Bruckner met werk van Schönberg en het City of Birmingham Symphony Orchestra koppelde Bruckner nog pas aan Messiaen.

Beide componisten komen ook voor in het combi-rijtje van het RFO, evenals Steve Reich, Giacinto Scelsi, Arvo Pärt en John Adams. Bruckners Derde symfonie werd dit weekeinde in haar oervorm gecombineerd met Adams' Harmonielehre. Nu is die oervorm van de Derde symfonie minder een witte raaf dan wel wordt gesuggereerd (in maart voerde het Nederlands Philharmonisch Orkest dezelfde versie uit), maar de combinatie met Adams is zonder voorbehoud een gelukkige. De overeenkomst tussen Adams en Bruckner bestaat er uit dat bij beiden de motieven zich ontwikkelen vanuit dik aangezette notennevels. Bij Bruckner is dit een mist van elementaire intervalsprongen, bij Adams zijn het flarden met minimalistisch gefröbel.

Edo de Waart wist de gefragmenteerde componenten van Adams Harmonielehre in een boeiende spanningsboog te vatten, hetgeen bij Bruckner volledig mislukte. Zijn Bruckner was insolide, labberlottig en vol gemiste kansen. De Wagner-citaten werden nauwelijks uitgelicht en zelfs waar het cruciale mineur-thema aan het slot opeens zijn fiere majeur-gestalte openbaart, werd dit weggeblazen door de trombones.

Terwijl het toch zo mooi kan. Waar Rattle bijvoorbeeld ritmisch precies is, floddert De Waart; waar Chailly schittert in de lyrische Ländler-thema's, daar klinkt bij De Waart vooral het kitscherige spiegelbeeld ervan; waar Haitink architectonisch inzicht aan de dag legt, daar brengt De Waart slechts contrasten aan tussen de delen. Geen wonder, zou je haast denken, dat de datum van de eventuele radio-uitzending nog niet vaststaat.