De rechter is veel linker dan de computer

De straftoemeting en de motivering daarvan in Nederland is een tombola; willekeurig, slecht, onbillijk en inconsistent. Per computer zal dat in elk geval consistenter zijn menen P.W. van der Kruijs en H.H.M. van Dijk.

Op de NRC Taaldag (digi-taal) op 14 september dit jaar liet prof. H.J. van den Herik zien hoe een computer op basis van een aantal ingevoerde gegevens in staat was een motivering te geven van de strafoplegging bij een bepaald type delict. Die strafmotivering was vele malen meer duidelijk en helder dan de doorgaans schrale strafmotivering van de Nederlandse rechter. Weliswaar is de Nederlandse rechter verplicht de opgelegde strafsoort en strafmaat te motiveren; wat die rechter er doorgaans van maakt is vergeleken met de computer van Van den Herik kinderwerk.

In november 1995 zijn de voorzitters van de strafsecties van rechtbanken- en hoven voor het eerst bijeen geweest. Onderwerp van gesprek was het onderzoeken van de mogelijkheden om te komen tot een wat betere onderlinge afstemming van de straftoemeting. Gestreefd wordt naar het ontwikkelen van een datasysteem waarin men over en weer kennis kan nemen van elkaars uitspraken met betrekking tot daad- en daderskenmerken. Er wordt op dit moment mee geëxperimenteerd. Hoewel we ervan uitgaan dat de individuele officier van justitie/procureur-generaal bij het formuleren van de eis en de rechter bij het opleggen van de straf naar eer en geweten zullen handelen blijkt in de praktijk dat de straftoemeting in Nederland een tombola is. Van het openbaar ministerie kan nog worden gezegd dat enigszins een straftoemetingsbeleid wordt gevoerd, van rechters kan daarvan in het geheel niet worden gesproken. Ter verduidelijking van de op het eerste gezicht boude stelling in de aanhef zullen wij een aantal voorbeelden uit de dagelijkse praktijk geven. Daarbij worden slechts de opgelegde straffen besproken en niet de daarnaast opgelegde maatregelen (bijvoorbeeld tbs met dwangverpleging) die naast de strafoplegging ook nog eens een lange vrijheidsbeneming kunnen impliceren.

Door een rechtbank worden twee verdachten van moord en een overval na een eis van twaalf jaar met tbs door de rechtbank veroordeeld tot zes jaar met tbs. De raadslieden temperden direct 'de tevredenheid' bij de cliënten, omdat bij een dergelijke afwijkende uitspraak van het OM zeker hoger beroep wordt aangetekend hetgeen ook geschiedde. Door de rechtbank werd de opgelegde straf gemotiveerd. De rechtbank overwoog dat hoewel sprake is van zeer ernstige misdrijven waardoor de rechtsorde ook ernstig is geschokt, de jeugdige leeftijd van de verdachten en de in potentie aanwezige behandelingsmogelijkheden de straf niet zodanig lang moesten doen zijn dat daardoor die behandeling illusoir zou worden. De behandeling in hoger beroep was van een volstrekt ander kaliber. Van meet-af-aan werd door het hof met name jegens de deels ontkennende verdachte de aanval ingezet. Met volledig gesloten vragen werden de verdachten in de hoek gezet waar kennelijk qua strafmaat de klappen moesten vallen. Bij het verlaten van de zaal knikten de raadslieden tegen elkaar: dat wordt tien jaar met tbs en zo gebeurde het ook. Over de lamentabele strafmotivering werd in de pers vermeld: 'In het arrest geeft het gerechtshof niet concreet aan waarom het de straf van zes naar tien jaar heeft verhoogd.'

Het is speculatie maar op basis van praktijkervaring durven wij te stellen dat als de rechtbank had veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf en tbs door het openbaar ministerie niet zou zijn geappelleerd. De raadslieden prezen hun cliënt nog gelukkig dat niet een andere kamer van het Hof die zaak had behandeld omdat in dat geval met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid twaalf jaar en tbs zou zijn opgelegd, als het hof al niet nog hoger was uitgekomen. Daarom volgt ook een voorbeeld van die andere kamer van hetzelfde gerechtshof.

In eerste aanleg had de rechtbank terzake van moord (maximumstraf levenslang of twintig jaar) de verdachte conform de eis van het OM tot acht jaar en tbs met dwangverpleging veroordeeld. In hoger beroep eiste de procureur-generaal hetzelfde als de rechtbank had opgelegd. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en legt wegens doodslag (maximumstraf vijftien jaar) twaalf jaar gevangenisstraf en tbs op. De strafmaatmotivering maakte de afwijking van de eis van het openbaar ministerie en het vonnis van de rechtbank niet begrijpelijk. Slechts werd overwogen dat niet kan worden volstaan met de door de rechtbank opgelegde straf zonder dat werd duidelijk gemaakt waarom dat was.

Het tombola-karakter van de strafmaattoemeting komt ook bij geringere zaken voor. Na een eis van de officier van justitie tot veroordeling tot een beperkte dienstverlening deelde de politierechter de raadsman al voor zijn pleidooi mee dat er rekening mee moet worden gehouden dat 'de getallen' wel eens anders zouden komen te liggen. Tijdens een korte onderbreking van de behandeling sprak de desbetreffende raadsman tegenover de officier van justitie zijn verbazing uit over de opmerking van de politierechter. Geïrriteerd reageerde de officier van justitie met de mededeling dat die politierechter al heel de morgen hoger vonniste dan de officier van justitie eiste.

Iedere strafrechtadvocaat zal op het bovenstaande een eindeloze aanvulling kunnen geven. Zelfs bij het hoogste rechtscollege wordt gesignaleerd dat de strafmaattoemeting in Nederland vaak volstrekt willekeurig lijkt te zijn. Advocaat-generaal Van Dorst schreef in zijn conclusie voorafgaand aan de uitspraak van de Hoge Raad van 7 november 1995 (NJ 1996, 168): “Dit hoger beroep diende echter voor het Haagse Hof, waarvan inmiddels genoegzaam bekend is dat het (althans één of enkele van zijn kamers) de zegswijze 'appelleren is riskeren' letterlijk neemt. De behandeling van het appèl laat ook dit keer zien dat de Procureur-Generaal en het Hof met elkaar wedijveren in het verzwaren van de straf van de rechtbank alsof hoger beroep identiek zou zijn aan hogere straf. De Procureur-Generaal vorderde namelijk een verdubbeling van de opgelegde straf, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar. Het Hof verdubbelde op zijn beurt deze eis en legde aan verzoeker een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar op (...).”

Onderlinge verschillen tussen strafkamers binnen een bepaalde rechtbank of hof worden niet voorkomen, laat staat die tussen verschillende rechtbanken en hoven. De straftoemeting en de motivering daarvan in Nederland is willekeurig, slecht, onbillijk en inconsistent. De computer zal in elk geval consistenter zijn hetgeen uit het oogpunt van rechtvaardigheid billijker moet worden geacht. Niet dat uiteindelijk de computer de rechter zal kunnen vervangen maar wel zou die computer een uitstekend hulpmiddel kunnen zijn.

Er zou ter zitting veel inhoudelijker gediscussieerd kunnen worden over de strafmaat als ieder van de procesdeelnemers zijn referentiekaders bloot geeft. Nu is de verdachte volkomen afhankelijk van de visie van de individuele rechter of het individuele college, van het mensbeeld of de maatschappijvisie van die individuele rechter of dat college. Wil de ene rechter de dader nog een kans geven terug te keren in de samenleving mits behandeling van die dader plaatsvindt op een zodanig tijdstip, dat een behandeling nog kans van slagen maakt, de ander schrijft de dader als medeburger af door een extreem lange verwijdering uit de samenleving. Het is volkomen absurd dat de ene rechter zes jaar oplegt en de andere voor hetzelfde feitencomplex twaalf jaar. Indien de rechter wil voorkomen dat hij op termijn door de computer wordt vervangen dan moet hij werk maken van zijn wettelijke verplichting de op te leggen straf en strafsoort te motiveren.