De Neus verliest betekenis in de visuele overdaad

De Neus van D. Sjostakowitsj door Nederlandse Opera en Ned. Kamerorkest o.l.v. Hartmut Haenchen m.m.v. o.a. David Wilson-Johnson, Richard Angas, Udo Holdorf, Ilya Levenski, Elena Vink, Lieuwe Visser, René Claasen, Priti Coles. Decors: Stefanos Lazarides; kostuums: Marie-Jeanne Lecca; regie: David Pountney. Gezien: 5/10 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen t/m 27/10.

In de nieuwe Antwerpse produktie van Puccini's Il Trittico toont regisseur Robert Carsen dezer dagen op het podium een regisseur, die door de zangers een poets wordt gebakken. Tegen het slot van de nieuwe Amsterdamse produktie van Sjostakowitsj' De Neus onderbreekt regisseur David Pountney de voorstelling voor een rondetafel-gesprek over zijn enscenering tussen wat zangers en een aantal critici. De laatste zijn geen echte recensenten, maar personages die door zangers worden vertolkt. Een zangeres klaagt dat de regisseur geen begrip heeft voor haar rol, een 'criticus' looft de muziek van Sjostakowitsj maar plaatst vraagtekens bij deze enscenering, een ander vraagt zich tijdens deze discussie af waarom de voorstelling in het Russisch gaat en niet in het Nederlands.

De discussie is een variant op de zelfkritiek die Gogol in De Neus (1836) verwoordde: 'Hiermee is het vaderland niet gebaat en geen mens heeft er profijt van.' De zelfkritiek van Pountney is voorspelbaar en juist - zelf had ik inmiddels grote twijfels over het karakter van de enscenering en ik had me ook al de vraag gesteld of deze voorstelling niet beter met Nederlandse zangers in het Nederlands had kunnen worden uitgevoerd. Het antwoord dat Lieuwe Visser (in de voorstelling dienstdoend agent en huurkoetsier) niet gaf, geef ik hier als criticus: 'ja, dat was zeker beter geweest.'

De kritiek binnen de voorstelling op dezelfde voorstelling ontkracht de kritiek achteraf niet, maar maakt wel die tegenwerpingen op handige wijze ook wat zinloos. Dat zinloze past bij Pountney's uitwerking van deze voorstelling. Het is een absurdistische en groteske satire op de burgermansmoraal, waarbij hij via een mechanisch lopende massa refereert aan Chaplins film Modern Times over de uniform geprogrammeerde mens als kuddedier en robot. Ondanks het voorhouden van een lachspiegel zullen maatschappij en mensheid nooit wezenlijk veranderen: de generaal die zijn neus kwijtraakt en zichzelf hervindt als een eenling in de maatschappij, blijft een eenzame wanneer hij zijn neus terugvindt, terwijl de norm van de samenleving opeens 'neusloosheid' is.

Sjostakowitsj schreef De Neus in 1928, aan de vooravond van de totale omslag van het kunstklimaat in de Sovjet-Unie, waarvoor Stalin in de jaren '30 zorgde. Schnittke's Life with an idiot, enkele jaren geleden door de Nederlandse Opera in wereldpremière gebracht, is de reflectie op die horror-jaren. De Neus attaqueert de dociliteit in Rusland, al is men daarvan elders niet vrij.

De voorstelling van Pountney lijkt een lukraak gemonteerde film. Het is een duizelingwekkende cavalcade van ideetjes (een rollende krant met neusberichten), invallen (Michael Jacksons neus verdwijnt ook!), verwijzingen (Freuds idee over de neus als evenbeeld der penis), pogingen tot grapjes (over Cyrano), gekkigheden (bordjes met de tekst 'gelul') en aardigheidjes (een politiedrumband als Hells' Angels in hardrock-sfeer).

Iedereen is vreselijk in de weer met decor en theatertechniek. Er is van dat alles ook overdadig veel: erg veel verschillends, van een naakte koningin, die schaamteloos tegen de neus opschurkt, en een gouden volkszanger tot een levende kameel. Er is ook heel veel van hetzelfde, zoals de telkens weer rondtoerende politiecommandant op de elektrische motor.

Wanneer de wervelende stroom dan even stilvalt, zoals in de scène in het Amerikaanse fastfood-restaurant op de luchthaven, is de voorstelling plots saaier dan de langdradigste Parsifal. Dan blijkt het allemaal een lege huls, buitenkant zonder echte inhoud, uiterlijk zonder een andere betekenis dan de voor de hand liggende notie dat burgers altijd burgerlijk zullen blijven.

Wat al helemaal niet kan is tijdens zo'n flitsend bedoelde pauzeloze voorstelling de handeling tussen de bedrijven door twee keer stilleggen om het orkest te laten stemmen en achter gesloten doek een changement uit te voeren dat bij open doek had kunnen plaatsvinden. Als we het idee moeten krijgen dat we naar een theaterfilm kijken, moet die ook op één rol staan.

Al dat idioot overdrijvend ingezette visuele lawaai overstemt behoorlijk het door dirigent Hartmut Haenchen zorgvuldig gemodelleerde auditieve element: Sjostakowitsj' muziek - soms baldadig maar vaak juist introvert - en de goede vocale prestaties.

In het operablad Odeon werd De Neus beschreven als “de handgranaat van een anarchist.” “Deze opera is als een bijl”, verklaarde regisseur David Pountney vooraf. Helaas treft de granaat geen doel en mist de bijl, die de afgelopen maand in het Muziektheater Elektra beheerste, nu elke scherpte. Botheid en afleiding veroorzaken geen spoortje van emotie, betrokkenheid, humor of venijn, geen enkel krasje op het beeld van de burgermaatschappij.