De eerste country-Vondel ter wereld

Voorstelling: Jozef Trilogie, naar Joost van den Vondel, door Theater van het Oosten. Concept en regie: Leonard Frank. Muziek: Vincent van Warmerdam. Kostuums: Leonie Polak. Licht: Reinier Tweebeeke. Spel: Thomas de Bres, Hans Leendertse, Heddy Lester, Hugo Maerten, Bodil de la Parra, e.a. Musici: Joost Belinfante, Wim Elzinga, Cok van Vuuren. Gezien: 5/10 Schouwburg Arnhem. T/m 13/10 aldaar; tournee t/m 29/12.

Hoe voer je een Vondel vandaag de dag op? Je kunt zijn werk persifleren: dat doet toneelgroep Het Volk. Je pakt de tekst met zijden handschoenen aan opdat geen woord van de Dichtervorst verloren gaat: dat doet Het Toneel Speelt onder leiding van Hans Croiset. Of je combineert lolbroekerij met ernst: op die gulden middenweg mikt Theater van het Oosten.

De makers van de Jozef Trilogie respecteren Vondel in zoverre dat ze diens rijm en metrum hebben behouden en ook een deel van het archaïsche Nederlands. Verder houden zij zich vooral aan de wetten van het amusement. In anderhalf uur tijd jagen zij er maar liefst drie Jozef-drama's doorheen: Jozef in Dothan (1640), Jozef in Egypte (1640) en Jozef in 't Hof (1635). Die spelen zich hier niet af in het bijbelse Midden-Oosten maar in het Wilde Westen: Leonard Franks bewerking is waarschijnlijk de eerste country-Vondel ter wereld.

Haast alle personages dragen cowboylaarzen en -hoeden. Soms zie je van hen alleen de hoedrand die boven een rots uit steekt, een van de talloze verwijzingen naar bekende westerns. Als zij hun hoed afnemen blijkt er echter nóg een hoofddeksel onder te zitten, een keppeltje. Joodse cowboys - hoe zit dat? In het tekstboekje legt regisseur Frank zijn bedoelingen haarfijn uit. Hij heeft bij het verhaal van Jozef en zijn rondtrekkende broers aan joden gedacht die in de tweede helft van de vorige eeuw het Europese antisemitisme ontvluchtten door in Amerika een nieuw leven te beginnen. Ze trokken van oost naar west en werden onderweg net als de niet-joodse cowboys geplaagd door honger, geweld en wetteloosheid.

Hoe treurig dat ook klinkt, in de voorstelling is van Franks melancholieke visie weinig overgebleven. Vincent van Warmerdams muziek, uitgevoerd door de dikwijls zingende acteurs plus drie viool-, gitaar- en banjospelers, is niet zozeer een uiting van pijn maar veeleer een onderdeel van een feestelijke show. Zelfs de smartlappen maken eerder een lach los dan een traan, zo overdreven huilerig worden zij gebracht.

Overdrijving is hier het voornaamste stijlkenmerk. Overdrijving en over-dui-de-lijk-heid. De muziek is altijd hard en ook de gesproken tekst komt versterkt tot ons, via de tegenwoordig erg populaire zendmicrofoontjes. De gebaren zijn sterk uitvergroot en de kleuren fel, vooral daar waar Jozefs dromen worden uitgebeeld. Jozef in Egypte en Jozef in 't Hof zijn verhalen die Jozef niet echt beleeft maar droomt: dat maakt de regisseur duidelijk met behulp van plastic schapewolken en opblaaspalmen die knallend uiteenspatten. 't Is nogal kinderlijk allemaal - wat je zou kunnen verdedigen met het argument dat Jozef immers zelf nog een kind is.

Zijn onfortuinlijke migrantenbroers zijn jaloers op hem omdat de kleine Jozef het lievelingetje van hun vader is. Daarom willen ze hem vermoorden. Ze gooien hem in een droge put en als hij dagen later nog steeds niet verhongerd is, verkopen ze hem als slaaf. Dergelijke benarde situaties overleeft Jozef door in wensdromen te vluchten. Wensdromen die zich ver weg afspelen: bijvoorbeeld in het exotische Egypte. In zijn eerste droom wordt hij begeerd door de vrouw van een officier, in zijn tweede droom is hij tot onderkoning verheven.

Ja, Jozef is nog een kind met naïeve grootheidsfantasieën - maar Frank geeft zowel die fantasieën als de harde realiteit op dezelfde naïevige manier gestalte. Pistooltjes worden op koddige wijze getrokken, kostuums zijn vervaardigd van de huid van Hollandse koeien: wat een humor, haha! Ondertussen blijven de karakters zo plat als een dubbeltje terwijl het dramatische conflict nergens angst aanjaagt. Ook de keuze van de acteurs is ondergeschikt gemaakt aan het doel de toeschouwer te behagen. Het spel van Hugo Maerten als de weifelachtige broer Ruben is niet tragisch maar sappig. Thomas de Bres als Jozef lijkt op een blonde popster en Bodil de la Parra in diverse rollen herinnert aan de openluchtvoorstellingen in het Amsterdamse Bos waarin zij ook al zo schalks en jeugdig speelde. De Jozef-trilogie draagt in elke vezel het stempel van een oudere regisseur die dolgraag jong wil doen.