Zuid-Afrika (3)

H. van Woerden schrijft (Z 28 sept.) dat een deel van de Zuidafrikaners in de periode 1940-'45 blijk had gegeven van Duitse sympathieën. Een juiste constatering, zij het dat het vanaf het begin een beduidende minderheid was. Eind mei 1940 vertrokken Zuidafrikaanse legereenheden naar Oost-Afrika; op 1 oktober 1940 arriveerde een legermacht, waaronder vele vrijwilligers, in de belegerde Nijldelta.

Met vrijwel onverdeelde steun van het Engels èn Afrikaans sprekend deel van de bevolking had Zuid-Afrika in een cruciaal stadium een grote bijdrage geleverd aan de geallieerde oorlogsvoering. Op 17 mei 1941 volgde de overgave van de Italiaanse troepen; men had 230.000 man buiten gevecht gesteld en in Abessinië Haile Selassie weer op de troon geholpen.

Het percentage Afrikaners met Duitse sympathieën was, zeker in die tijd, bepaald lager dan in het moederland. Prof. Bokhorst, directeur van de National Gallery te Kaapstad, bekleedde als majoor na de bevrijding de functie van bevelhebber Noord-Holland / Noord in het Militair Gezag. Hij was een van de vele Zuidafrikaners wier oorlogsinspanning door de geallieerden met waardering werden erkend.

Het verband dat wordt gelegd tussen de negen procent van de vijftigduizend Nederlandse naoorlogse emigranten, gemotiveerd wegens hun foute oorlogsverleden, en de nazi- cq racistische sympathieën, is verwrongen en beledigend in zijn algemeenheid. Indien al een politiek motief (in 1956!) ten grondslag lag aan de keuze van emigratieland, kwam dit eerder voort uit de overtuiging van de Dietse gedachte waarvan Vlaanderen ook deel uitmaakt.