Zadel kinderen niet op met milieumoralisme; Weg met utopieën

Hoe bang moet je scholieren en andere leergierigen maken voor milieurampen? Gisteren werd hierover gedebatteerd door mensen uit de wereld van de natuur- en milieueducatie op het Nationaal centrum voor bos, natuur en landschap Kasteel Groeneveld. Vandaag de verkorte versie van twee van de lezingen.

EDUCATIE DIENT niet te indoctrineren maar te begeleiden. Jonge - maar ook oudere - mensen moeten in de gelegenheid worden gesteld om zelf via kennis en inzicht verantwoordelijkheid te leren dragen voor onze gezamenlijke wereld. Het verschaffen van veel wetenschappelijke losse feiten of het van bovenaf aanleren van gewenste gedragsveranderingen is uit den boze.

Ik dacht dat ik dit allemaal wel zo ongeveer wist en bij mijn lezingen en onderwijs over milieufilosofische vragen in de praktijk bracht. Maar daarbij meende ik ook dat een mooi vaststaand en onomstreden wetenschappelijk gegeven mijn betogen fraai zou kunnen illustreren en onderstrepen. Maar veel van mijn veronderstelde feiten worden mij keer op keer uit handen geslagen.

Eén van de illustraties waarnaar ik graag verwees, was die van het opdrogen van het Aralmeer in Centraal-Azië. De grootschalige landbouw in de voormalige Sovjet-Unie, die in vermetele overmoed meende geen rekening te hoeven houden met de natuur, zou verantwoordelijk zijn voor deze catastrofe. Een aantal maanden geleden bevatte de Volkskrant echter een klein berichtje. Kern ervan was dat wetenschappers langzaam tot de conclusie waren gekomen dat het opdrogen niet te wijten zou zijn aan menselijke tussenkomst. Het verwonderlijke en lang bekende feit waar men steeds mee worstelde was namelijk dat in ongeveer dezelfde periode dat het waterpeil in het Aralmeer daalde, het peil in de niet veraf gelegen Kaspische Zee - het grootste binnenmeer ter wereld - met twee meter steeg. Hier had de mens door het bouwen van grote dammen in de Wolga minstens even fors in de natuur ingegrepen. De enige conclusie die op dit moment wetenschappelijk stand schijnt te houden is dat er een klimaatverandering in Centraal-Azië heeft plaatsgevonden. Grootschalig menselijk ingrijpen lijkt er in elk geval niets meet te maken te hebben. Daar zit je dan met je goede gedrag.

Opvoeding moet zich niet op één of andere gewenste of gevreesde toekomstige cultuur richten, zij moet een nieuwe generatie inleiden in en laten kennismaken met de bestaande wereld. Met het beroemde artikel The crisis in education van de filosofe Hannah Arendt wil ik wijzen op het grote gevaar dat er bestaat om educatie op een bepaalde wijze te moraliseren en te politiseren. Als een oudere generatie primair tot taak heeft een jongere in een bestaande wereld in te leiden, dan moeten opvoeders en docenten de verantwoordelijkheid voor deze wereld op zich durven nemen. Als volwassenen onder gelijken politiek bedrijven mogen zij zich natuurlijk inzetten voor grote veranderingen in deze wereld. Het gevaar bestaat echter dat jongeren gezien worden als materiaal om een nieuwe wereld te bouwen. Kinderen worden dan gemoraliseerd en gepolitiseerd voordat zij überhaupt met de bestaande wereld kunnen kennismaken. Paradoxalerwijze ontneemt men hun juist de mogelijkheid de wereld te vernieuwen. Ze worden al geïndoctrineerd met de idealen die de volwassenen zelf in de politiek niet waar kunnen maken.

Op een congres over gezondheidszorg in 1994 had ik rondom deze problematiek een felle discussie met Rob Oudkerk, huisarts en Tweede-Kamerlid voor de PvdA. Oudkerk meende dat de zijns inziens noodzakelijke veranderingen in de gezondheidszorg via volwassenen geen kans meer maakten. Volwassenen waren nu eenmaal verslaafd aan professionele zorg en hechtten aan ongezond gedrag. Vanaf de kleuterschool kan de gezondheidseducatie echter de kinderen leren om zich anders te gedragen. Aan hen de taak om in de toekomst een nieuwe gezondheidspolitiek gestalte te geven.

Hierachter ligt een principe dat ik ten diepste afwijs. Juist om elke generatie de kans te geven de wereld te veranderen op een misschien voor volwassenen ongedachte wijze, moet men haar niet met morele lessen indoctrineren, die volwassenen zelf niet waar kunnen maken. Wie de verantwoordelijkheid van de bestaande wereld in geen enkele opzicht op zich durft te nemen, wie haar moraliserend grotendeels afwijst en verwerpt, moet volgens Arendt niet de rol van opvoeder op zich nemen.

De tegenhanger van de utopie is de dystopie, het pessimistisch doemdenken. Pessimisme doet het altijd goed, optimisme blijft vaak verdacht. Francis Fukuyama, auteur van de - het zij toegegeven optimistische - bestseller 'Het einde van de geschiedenis en de laatste mens' heeft dit scherp gezien: 'Een optimist die geen gelijk krijgt, lijkt een dwaas, terwijl een pessimist die ongelijk krijgt een aura van diepzinnigheid en ernst behoudt. Het is dan ook veiliger de tweede koers te varen'. Dat laatste lijkt de stelregel van talloze doemdenkers over het milieu te zijn. Hoewel veel somber stellende feiten niet blijken te kloppen en negatieve voorspellingen niet blijken uit te komen, lijken zij inderdaad weinig aan gezag in te boeten. En hoge utopische verwachtingen die niet gerealiseerd kunnen worden leiden bijna automatisch tot dystopische beelden. Vooral in het vaderlandse milieucircuit blijken apocalyptische verwachtingen en utopische doeleinden nauw verbonden te zijn.

Natuurlijk, kinderen hoeven geenszins, voorzover dat tegenwoordig met de nieuwe media al mogelijk zou zijn, in een soort 'jeugdland' afgeschermd te worden van de maatschappij en haar problemen. Maar ze hebben wel het recht om niet opgezadeld te worden met de oplossing van problemen waar volwassenen zelf politiek-maatschappelijk geen weg mee weten. Natuur- en milieueducatie kan kinderen zeer goed betrokkenheid bij natuur en milieu meegeven, maar het kan nooit zelf het antwoord op het milieuprobleem zijn. Dat laatste ligt primair op het bord van de volwassenen.