Zadel kinderen niet op met milieumoralisme; Mens durf te leven

Hoe bang moet je scholieren en andere leergierigen maken voor milieurampen? Gisteren werd hierover gedebatteerd door mensen uit de wereld van de natuur- en milieueducatie op het Nationaal centrum voor bos, natuur en landschap Kasteel Groeneveld. Vandaag de verkorte versie van twee van de lezingen.

IN HET DAGELIJKS leven bestaat nog steeds het romantische natuurbeeld van de ongerepte, zichzelf regulerende natuur zonder mensen. Soms zelfs vergezeld van de tegenstelling 'goede natuur versus slechte mens' - want mensen verpesten de natuur. Beide beelden liggen prachtig in elkaars verlengde en versterken elkaar wederzijds. Zo ontstaat wat ik een aantal jaren geleden de 'Bambi-ecologie' noemde, om het kitscherige en onechte van deze natuurbenadering duidelijk te maken. Ik vermoed dat het moralisme waartegen Hans Achterhuis strijdt, z'n oorsprong vindt in dit oneigenlijke gebruik van wetenschappelijke theorieën gecombineerd met onvoldoende kritisch doordachte ideeën over natuur en milieu.

Maar in de tekst van Achterhuis lijkt het wel of met opgeheven vinger wordt gewaarschuwd: 'Pas op, je mag niet moraliseren'. Ik zou daarentegen willen wijzen op de goede herinneringen die velen van ons hebben aan een bepaalde leerkracht of docent. Uit de analyse van documenten over 'favourite teachers' komt naar voren dat deze leerkrachten respect voor je hadden als persoon, vertrouwen in je hadden als leerling ('toe maar, je kunt het wel').

Bovendien waren het mensen die ergens voor stonden, die je iets wilden leren of meegeven waaraan je een heel leven wat zou kunnen hebben. Het opvallende is dat deze wijze lessen niet als moraliseren in de zin van zedenpreken werden ervaren. Ook niet als je het er eigenlijk niet mee eens was of een andere mening was toegedaan. Op de een of andere manier bespeurde je als leerling de oprechtheid en authenticiteit van de overtuiging en morele houding van deze docenten.

Opvoedkundigen als De Winter, Dasberg en Mollenhauer wijzen erop dat opvoeding haar zin verliest wanneer volwassenen niet meer weten of hun eigen normen en waarden het waard zijn om aan kinderen over te dragen. Wanneer wij op het gebied van natuur- en milieueducatie in alle oprechtheid van mening zijn dat bepaalde waarden en gedragsnormen van belang zijn en ook uitleggen waarom dat zo is (bijvoorbeeld 'zo doen we dat hier op school en wel daar en daarom'), dan spreekt uit die houding een bepaalde levenskunst, een savoir vivre, waarvoor we ons niet hoeven te schamen om dat door te geven aan kinderen. Natuurlijk is het noodzakelijk om waarden en concrete gedragsnormen kritisch te bespreken, bijvoorbeeld in de natuur- en milieueducatie-nascholing van docenten. Terecht stelt Achterhuis dat voor natuur- en milieueducatie kritische distantie en reflectie ten aanzien van schijnzekerheden omtrent milieurisico's en het aanleren van gedragsregels broodnodig zijn.

Het 'veronzekeren' van leerkrachten mag echter niet zover gaan dat docenten in de praktijk geen standpunt meer durven innemen. Het is in tegendeel juist van het grootste belang om docenten aan te moedigen voor hun mening uit te komen. Want waarom zou je als leerling je nek uitsteken met een eigen mening over een milieuprobleem (zie de kerndoelen) als de leraar voor de klas weigert een eigen standpunt in te nemen?

Opvoeden en onderwijzen zijn pedagogische praktijken met een altijd aanwezig toekomstperspectief. Kinderen inleiden en laten kennismaken met de bestaande wereld is onmogelijk zonder besef van verleden en toekomst. Juist op dit punt kom ik in grote problemen met de opvatting van Hans Achterhuis omdat hij utopische hoop of optimistisch getoonzette utopie afwijst als strategie voor educatie. De pessimistische voorstelling van het aldoor toenemend milieubederf tot de milieucatastrofe erop volgt, neemt inderdaad de toekomst weg. Maar voor een optimistische benadering hoeft dat niet noodzakelijk ook te gelden.

In mijn onderzoek naar de natuurbeleving van dertien- tot achttienjarige jongeren vroeg ik leerlingen naar hun toekomstplannen. Ik werd getroffen door de concreetheid en gedetailleerdheid waarmee deze jongens en meisjes hun toekomstplannen ontvouwden. Zelfs over de inrichting van hun flatje, dat ze zo milieuvriendelijk mogelijk willen doen en waarvoor ze kennis en informatie nodig hebben, of over het hebben en opvoeden van kinderen, voor wie ze een gezonde leefomgeving heel belangrijk vinden. Kinderen en jongeren maken zich kennelijk heel concrete voorstellingen van hun toekomst en hebben waarschijnlijk ook heel gedetailleerde toekomstdromen. Dergelijke beelden krijgen kinderen en jongeren impliciet en expliciet aangereikt door volwassenen.

Ook in het geval van negatieve toekomstverwachtingen, zoals Sander die eigenlijk heel graag de Peugeot-garage van zijn vader wil overnemen, maar hij zegt ook: 'Ik denk dat er over twintig jaar of zo niet meer zoveel auto's rijden, omdat mensen gaan carpoolen en zo, en de auto kan best nog zonder u, en bussen en zo. Auto's dat wordt niks meer.'

Daarom wil ik hier Lea Dasberg citeren, een pedagoog die als geen ander het belang van concrete, hoopvolle toekomstverwachtingen voor kinderen benadrukt: 'Het ziet er naar uit dat we alle identificatiemogelijkheden die door kinderen zelf achter die stippeltjes [in 'later als ik groot ben dan ... ] worden ingevuld, hebben verboden: vader worden is autoritair, moeder worden is ongeëmancipeerd, een held die het vaderland redt is reactionair, het geloof verspreiden is opium uitdelen aan het volk, (...) zieke mensen beter maken is bevordering van de overbevolking, een actieve rol in het bedrijfsleven is meewerken aan de groei waar onze wereld aan ten onder gaat. Waar laat men een kind dan nog voor leren? Wat stellen we kinderen in het vooruitzicht als ze hun best doen? Waar kan een kind dan nog naar verlangen, waar kan het nog nieuwsgierig naar zijn, waar kan het zich nog voor inzetten?' (uit Pedagogie in de schaduw van het jaar 2000, p. 25)

Met recht en reden verzetten we ons tegen politiek-ideologische en fundamentalistisch religieuze utopieën die geïsoleerd worden van kritiek en waarover geen discussie mogelijk is. Maar het amorf maken van toekomstverwachtingen is uit het perspectief van kinderen ten minste even funest.

Naar mijn mening is het voor de praktijk van natuur- en milieueducatie van groot belang dat we - uiteraard in het volle besef van voorlopigheid - realistische, uitdagende en enthousiasmerende toekomstperspectieven hanteren, die kinderen uitnodigen om mee te willen doen. Want kinderen opvoeden is op de eerste plaats hier en nu samen met kinderen leven. Daarin worden gezamenlijk waarden en gedeelde toekomstperspectieven verwerkelijkt.

Bovendien verwachten kinderen van volwassenen dat zij meer weten en een bredere verantwoordelijkheid dragen. Laten we daarom niet te bang zijn voor het uitdragen van eigen meningen, voor de levenskunst die we voor ons zelf ontwikkeld hebben en die we graag aan kinderen willen meegeven.

Ik zou ook heel simpel het advies kunnen geven: 'Mens durf te leven!'.