Weigeryup verdient generaal pardon

Begin jaren negentig is in de Tweede Kamer aangedrongen op maatregelen tegen de zogenaamde 'weigeryuppen'. Deze groep dienstplichtigen wist tot dan de militaire dienst te ontlopen door een gefingeerd beroep op de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst. In 1992 is besloten aan deze praktijk een einde te maken. De betreffende dienstplichtigen, die bij het ministerie van Defensie stonden geregistreerd als weigeryuppen, kregen een oproep voor het vervullen van de eerste oefening.

Anders dan gebruikelijk werden de weigeryuppen bij opkomst in de kazerne niet naar huis gestuurd in afwachting van de beslissing op het hernieuwd verzoek om erkenning als gewetensbezwaarde. In plaats daarvan werd het hernieuwd verzoek om erkenning als gewetensbezwaarde terstond ter kazerne voorgelegd aan het Bureau Gewetenbezwaren. Veelal volgde afwijzing van het verzoek waarna de militaire dienst direct diende te worden vervuld. De weigeryuppen kozen er evenwel voor deze militaire dienst niet te gaan vervullen en weigerden dan ook de gegeven dienstbevelen. Daarmee pleegden zij een strafbaar feit en volgde de dagvaarding om te verschijnen bij de Arnhemse rechtbank.

De Arnhemse rechters bleken niet gevoelig voor de argumenten van de weigeryuppen. Veelal volgde een standaard-veroordeling van zeven maanden gevangenisstraf. Uiteindelijk volgde op 19 maart 1996 het finale oordeel van de Hoge Raad der Nederlanden. De Hoge Raad oordeelde dat de uitspraken van de Arnhemse rechters in stand konden blijven, waarmee de Hoge Raad der Nederlanden - impliciet - zijn zegen gaf aan de ter kazerne gevolgde procedure Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst.

Sedert de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden heeft zich een belangrijke wijziging voor gedaan, te weten afschaffing van de opkomstplicht. Daarbij dient gerealiseerd te worden dat de achtergrond van de veroordeling tot zeven maanden gevangenisstraf was de omstandigheid dat anderen negen maanden militaire dienst dienden te vervullen. Met de afschaffing van de opkomstplicht is dit argument minder steekhoudend geworden.

Na de afschaffing van de opkomstplicht zijn Kamervragen gesteld met betrekking tot de verdere gang van zaken. De minister van Justitie gaf te kennen dat voortgegaan diende te worden op de ingeslagen weg. De weigeryuppen verdienden, ook na afschaffing van de opkomstplicht, zeven maanden gevangenisstraf. Ook de Arnhemse rechters bleken die mening toegedaan.

Geheel anders oordeelden de rechters in Den Haag in zaken waar het betrof weigering van het vervullen van de vervangende dienst (nadat de betreffende diestplichtige was erkend als gewetensbezwaarde). Hoewel het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van gewetensbezwaarden uit eerdere lichtingen aanleiding zou kunnen zijn om vervolging te rechtvaardigen meent de rechtbank dat er na afschaffing van de opkomstplicht geen plaats meer isvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dit zou niet stroken met de recente maatschappelijke ontwikkelingen, zo oordeelde de Haagse rechtbank.

Met die uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof te 'Den Haag is een merkwaardige discrepantie ontstaan tussen 'Haagse' zaken en 'Arnhemse' zaken. Is het verschil in straf gerechtvaardigd? Neen. Het vervullen van de militaire dienst danwel de vervangende dienst zien op dezelfde grondwettelijke verplichting. Een ieder wordt (in eerste instantie) opgeroepen voor het vervullen van de militaire dienstplicht. Pas als men daartegen gewetensbezwaren heeft wordt de militaire dienst vervangen door de vervangende dienst. De oorsprong van beide is dezelfde. Het zijn niet twee zelfstandige grootheden, zij liggen in elkaars verlengde. De strafrechtelijke benadering bij weigering ervan dient dan ook gelijkwaardig te zijn. Daartegen zou kunnen worden ingebrcht dat bij het weigeren van de militaire dienst een ander de plaats van de betreffende weigeraar dient op te vullen, terwijl dat bij het weigeren van de vervangende dienst minder het geval is. Immers in dat laatste geval zal de betreffende plaats niet worden opgevuld. Toch is dit argument niet overtuigend. Allereerst niet omdat de praktijk van de afgelopen jaren is dat militaire dienst wordt geweigerd in een situatie dat slechts een minderheidde militaire dienst behoefde te vervullen. Bovendien geldt ook bij weigeraars van de vervangende dienst dat andere erkende gewetensbezwaarden destijds wel de vervangende dienst dienden te vervullen, zodat het solidariteitsargument ook hier geldt. Dit is de reden waarom in het verleden door de Haagse rechters bij weigeren van de vervangende dienst onvoorwaardelijke gevangenisstraf werd opgelegd.

Al eerder is gesproken over een generaal pardon voor de nog circa 250 weigeraars die in afwachting zijn van een strafrechtelijk oordeel. Dat is een politieke beslissing die de minister van justitie tot op heden niet heeft willen nemen. Gezien de beslissingen van de rechtbank en het gerechtshof te Den Haag is er alle aanleiding om een generaal pardon alsnog te verlenen.