Verbluffend snel debuut Vliegende Panters

Voorstelling: Sex, door de Vliegende Panters (Rutger de Bekker, Diederik Ebbinge en Remko Vrijdag). Regie: Ruut Weissman. Gezien: 3/10 in Klein Bellevue, Amsterdam. Aldaar t/m 6/10; tournee t/m 19/4. Inl. 020-6231555.

Hun faam was hen al vooruit gesneld: een triomfantelijke overwinning op het Amsterdams Kleinkunstfestival van vorig jaar, een ontwikkelingssubsidie van het Prins Bernhard Fonds, een prominente verbintenis met het eigen impresariaat van Youp van 't Hek, een persoonlijke Pall Mall-prijs èn een Pisuisse-prijs voor groepslid Remko Vrijdag, enkele veelbelovende fragmenten in diverse radio- en tv-programma's - zo veel, alles bij elkaar, dat de première van het eerste avondvullende programma van de Vliegende Panters al bij voorbaat verwachtingen wekte die voor menig debuterend groepje veel te hooggespannen zouden zijn.

Maar gisteravond zijn die verwachtingen wat mij betreft meer dan waargemaakt. Rutger de Bekker, Diederik Ebbinge en Remko Vrijdag, als beginnende twintigers vorig jaar afgestudeerd aan de Kleinkunstakademie, spelen een programma dat bovenal de flexibiliteit van het cabaret-genre demonstreert: elke generatie geeft er een nieuwe invulling aan. Die van de Vliegende Panters doet soms denken aan de meligheidsgolf van de jaren tachtig en de persiflages die Kees Prins en Arjan Ederveen destijds speelden onder de naam de Duo's. In een zot poppenkastnummertje, waarin het verliefde getortel van een fles wijn en een homp kaas wreed wordt verstoord door een flesopener en een kaasschaaf, is zelfs letterlijk een poppenkastnummer met pakken melk te herkennen waarmee Ederveen op de Kleinkunstakademie al enig opzien baarde. Maar de Panters zijn muzikaler, theatraler en vooral veel sneller. Ze spelen zap-cabaret.

Drie bengels van jongens voeren ze op, bij wie de herinnering aan een vierde vriendje als een schaduw boven hun pre-puberale praatjes hangt. Dat klinkt pathetisch, maar is het niet - het schept alleen een logische samenhang tussen nummers die geen enkele samenhang hebben, en het mondt uit in een prachtig passende versie van het ietwat onevenwichtige Free as a bird dat de drie overgebleven Beatles vorig jaar maakten bij een nagelaten cassettebandje van John Lennon. Even maar, trouwens, zoals bijna alles in deze voorstelling even maar gebeurt. Met een vanzelfsprekend soort flair hebben de Panters, samen met hun ervaren regisseur Ruut Weissman, een gaaf doorgecomponeerd programma gemaakt met een verbluffend hoog tempo.

Vaak lijkt het alleen maar waardenvrij gestoei, die verbazingwekkende veelheid van persiflages: op woordspelerige cabaret-groepjes, op teer bedoelde luisterliedjes, op cliché-matig cabaret-engagement, op klassieke acteurs die over vroeger praten (“goed, het was zwaar, het was verdomde zwaar, maar wat krégen we d'r veel voor terug”), op Kinderen voor kinderen, op het falsetto van de Bee Gees, op ZZ Top, op de zelfingenomen quasi-poëzie van een zanger als Stef Bos (“ze rijdt door het leven van verdriet...”), op de platte manier waarop een rap-groep leven en dood van Anne Frank zou bezingen. Maar het kost weinig moeite er óók het optreden van drie jonge cabaretiers in te zien die een lange neus trekken naar alles wat hen leugenachtig lijkt. Zo bezien morrelen de Vliegende Panters in de beste cabaret-traditie aan de mores, maar zonder de nadrukkelijkheid van traditioneel cabaret. Verrassend vernieuwend vind ik ze, en niet te vergeten: onweerstaanbaar grappig.