Vastberaden asielzoeker

“Er slaapt een vreemde kat in onze garage”, zei mijn vrouw en ze hield twee grauw-grijze haren omhoog. Dat 'vreemd' was een verwijzing naar onze 'eigen' katten. Die kunnen, als zij een wandeling hebben gemaakt en ons niet thuis vinden, via een kattenluikje de garage in, waar ze een stoel weten met een kussen en daarop een handdoek, die regelmatig wordt verschoond.

“En dat is niet de eerste keer”, zei ze en ze hield de haren voor het baksteenkleurige neusje van onze oudste huisvriend, die zachtjes begon te brommen.

“Daar zit hij”, zei mijn vrouw de volgende ochtend en ze wees naar een kleine, cyperse kat, die zichtbaar op zijn gemak naast de brievenbus in onze tuin zat. “Ik heb hem al meer gezien. Een zwerver. Hij zal wel honger hebben.” En ze zette een bakje kattenvoer voor het dier, dat inderdaad buitengewoon hongerig bleek.

“Hij heet Kareltje”, besloot mijn vrouw, “en hij is hoogstens een jaar oud. Hij is niet gecastreerd en hij heeft een forse wond aan zijn schouder, maar die geneest goed. En hij is erg lief. De vraag is wat we met hem aan moeten.”

Dat bleek zelfs een lastige vraag. Want Kareltje vond ons kennelijk buitengewoon sympathiek, onze garage een geriefelijke slaapplaats en het blikvoedsel van goede kwaliteit, maar er was één levensgroot probleem: onze katten wilden absoluut niets van hem weten. Ze loeiden, ze bliezen, ze grauwden en hoewel Kareltje conflicten uit de weg ging, zelfs nederig op zijn rug ging liggen als hij werd bedreigd, was het na een weekje duidelijk dat we aan samenwonen niet hoefden te denken.

We zetten een advertentie in het plaatselijke weekblad: 'Aan komen lopen; cypers katertje met vuilwitte sokken en borst. Erg lief. Wie mist hem?'

Na drie dagen belde mevrouw B. Ze woonde op een boerderij, die wij vanuit ons huis konden zien. Ja, ze miste al enkele weken één van haar katten, een kleine cyper, de beste vanger van ratten en muizen, die ze kende. Ze zou haar zoontje sturen.

De lieve, zachtaardige Kareltje met dat kleine roze bekje een jager en een doder? Het leek ons onwaarschijnlijk. Maar het zoontje twijfelde niet. “Dat is Dondertje”, riep hij vertederd en hij aaide en knuffelde Kareltje uitbundig. Die vond dat zichtbaar prettig, maar dat vond hij van ieder blijk van belangstelling.

In de auto keek Kareltje oplettend om zich heen en toen we de boerderij van het gezin B. naderden, meende ik zelfs een blik van herkenning in zijn ogen te zien. Op het erf stapte hij zonder enige aarzeling uit, baande zich een weg door zes, zeven soortgenoten en verdween met opstaande staart in een koeienstal. Hij keek niet om.

Toen ik de volgende ochtend onze garagedeur opende, rekte hij zich op de kattenstoel juist behaaglijk uit. De afstand tussen de boerderij van B. en ons huis is, zo schatten wij, minstens anderhalve kilometer als je er van uit gaat dat katten niet gemakkelijk sloten van twee meter of breder zullen overspringen. Hij was dus moe en zoals te begrijpen valt ook hongerig.

Na zijn ontbijt bracht ik hem terug naar de boerderij, maar toen hij de dag daarop weer in onze garage bleek te liggen, verzon mijn vrouw een list. Kareltje kreeg geen ontbijt meer bij ons, maar ik zou het blikje pas openen op het erf van de boerderij. Daar immers hoorde hij thuis.

Het aanbod werd zeer gewaardeerd door de schare katten, die ik nu wel op twaalf tot vijftien schatte. Maar de bij ons zo deemoedige Karel stond zijn partij en wist de meeste brokken te bemachtigen.

“Ik begrijp het niet”, zei mevrouw B., toen ik haar na een dag of tien heen en weer rijden op haar erf trof. “ De katten krijgen hier genoeg te eten. En nog warme koeienmelk toe.” De list bleek dus niet te werken. Kareltje had blijkbaar genoeg van het boerenleven, van al die andere katten, van het eten van muizen en ratten en van warme koeienmelk. Iedere ochtend, weer of geen weer, meldde hij zich bij ons voor het ontbijt. Wij vonden dat hij zelfs al iets dikker werd. En het vuilwit op zijn pootjes werd wit.

Toen hij tenslotte op een middag al terug bleek te zijn, gaven we het op. Deze vriendelijke en vastbesloten asielzoeker wilde een nieuw leven beginnen. Wij besloten samen met meelevende buren hem een kans te gunnen. We zouden hem eventueel kunnen laten castreren en dan misschien een huis voor hem kunnen vinden.

Maar meneer en mevrouw B. waren het daarmee niet eens. “Onze zoon is juist op deze kat erg gesteld, wij willen u die overlast niet aandoen en bovenden is hij de beste muizenvanger die we hebben”. Ze namen Kareltje mee in hun auto, het zoontje droeg hem in zijn armen en fluisterde van alles in het nu schone oortje. Ze zouden hem voorlopig op een zolder in een van de stallen opsluiten. Ze hadden niet gezien, dat er op die zolder een raampje half open stond. Kareltje wel.

Toen ze hem gisteren weer kwamen halen, waren ze van plan hem aan een lange lijn in de stal vast te binden. Vanmorgen was Kareltje niet in de garage, noch in de tuin. We worden soms bekropen door angstige gedachten, maar we hebben geen recht van spreken. Misschien dat we volgende week mevrouw B. maar eens bellen. Gewoon, uit belangstelling.