Tijden van schaamte en schuld voorbij

Wat missen we eigenlijk als we 'God' uit ons woordenboek schrappen? Als we de zondagse kerkdienst vervangen door luisteren naar Midas Dekkers, het wassen van de auto of zoektochten naar zonnedauw? Wat verandert er als het CDA niet meer regeert? Wat maakt het uit als kerken worden gesloopt en vervangen worden door een bankgebouw of misschien zelfs een moskee?

Over zulke vragen gaat het in het boek 'God, een open vraag' van theoloog Houtepen dat waarschijnlijk in begin 1997 verschijnt. Het is het vierde boek van de katholieke, oecumenische theoloog prof. dr. A.W.J. Houtepen die in Hoeven, Heidelberg en Nijmegen studeerde. Van 1969 tot 1979 was hij stafmedewerker van het Diocesaan Pastoraal Centrum van het bisdom Breda. Sinds 1979 is Houtepen verbonden aan het Interuniversitair instituut voor missiologie en oecumenica (IIMO) in Utrecht. Aan de theologische faculteit van de Universiteit Utrecht is hij hoogleraar in de oecumenica.

Het nieuwe boek vormt het verslag van een leesgeschiedenis van tien jaar en van gesprekken met aanstaande economen, juristen en medici van de Erasmus Universiteit, aan wie hij van 1984 tot 1994 'fundamentele theologie' doceerde. Hij deed dat in opdracht van de Radboudstichting, de instelling voor katholiek wetenschappelijk onderwijs.

Houtepen is de uitvinder van een nieuw woord: agnosme. Het moet onderscheiden worden van het al bestaande begrip 'agnosticisme', dat voor de theoretisch gefundeerde grondhouding staat die elke verwijzing naar God als een onmogelijke en onnodige toevoeging of verdubbeling van het menselijke kennen beschouwt en daarom zulke verwijzingen uit de wetenschap en uit de politiek wil weren. Agnosme is iets anders en heeft te maken met het feit dat zich tussen 1965 en nu in Europa een massaal afscheid van de kerk en van het Westerse geloof in God heeft voorgedaan.

Er is sprake van een wijdverbreide cultuur van agnosme, een leefvorm waarbij men God links laat liggen en van hem niet langer weet meer heeft. God hoeft niet meer. Dit afscheid van het christendom blijkt volgens Houtepen niet alleen uit vermindering van het kerkelijke leven, maar ook uit allerlei culturele veranderingen omdat men de grote verhalen van de bijbel niet meer kent. We spreken nog wel van Adam en Eva, maar wie gelooft nog in het paradijs, we zeggen nog 'na ons de zondvloed', maar wie weet nog waar die uitdrukking vandaan komt? Van het hele geloofssysteem dat achter het kerkelijke jaar schuil ging zijn alleen kerstbomen, paaseieren en dauwtrappen op Hemelvaartsdag overgebleven.

Ondanks dit alles bespeurt Houtepen, die goed bekend is met binnen- en buitenkerkelijke ontwikkelingen, dat er ook zoiets als een keerpunt is. Weliswaar is er volgens hem geen enkel teken dat er een eind zou komen aan de uitholling van de religieuze instituties of aan de verdamping van de kerk, maar toch: de rancune is voorbij. Natuurlijk was die boosheid heel begrijpelijk, zegt hij, want het christelijke denken met alle nadruk op God als machthebber en als rechter over onze daden, was ook erg ziekmakend. Maar zulke christelijk-gefrustreerde boeken als van Maarten 't Hart zouden nu toch niet meer geschreven kunnen worden. De tijden van schaamte en schuld zijn voorbij, nu gaat het in religieuze zin om bevrijding en moed.

Ook bij postmoderne filosofen is volgens Houtepen de belangstelling voor de religie teruggekeerd. In dit verband wijst hij op de 66-jarige, Franse filosoof Jacques Derrida en diens studie La religion waaruit hij opmaakt dat filosofen weer over de Godsvraag willen nadenken. Gelukkig maar, zegt Houtepen, want een wereld zonder vraag naar God zou “saai en oervervelend zijn”. Ondanks de wijdverbreide levenshouding van 'God hoeft niet meer' die Houtepen zegt te bespeuren, ziet hij geen reden nu de theologie als het denken over God een tijdje op sterk water te zetten en de theologie als wetenschappelijke studie aan de wilgen te hangen.

Dat is het laatste wat men zou moeten doen, meent prof. Hou-tepen. Uit oogpunt van volksgezondheid moeten de theologische faculteiten juist blijven bestaan om de wapens aan te reiken tegen alle bijgeloof, boerenbedrog, valse religie en kwakzalverij die op ons afkomt.