Srebrenica-onderzoek moet vizier ook op Den Haag richten

Het kabinet buigt zich over de onderzoeksopdracht over 'Srebrenica' aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD). De bereidheid van Dutchbat om daadwerkelijk te vechten en de Haagse wenken aan de bataljonsleiding moeten daarin een prominente plaats krijgen, beklemtoont A.H.J.W. van Schijndel.

In zijn herdenkingsrede 'Vragen die blijven knagen' zegt minister Voorhoeve (Defensie) dat uit 'Srebrenica' lering moet worden getrokken. Dat is echter onmogelijk als niet eerst de verantwoordelijkheid van de Nederlandse politieke en militaire leiding is vastgesteld. Die verantwoordelijkheid is tot nog toe volstrekt in het vage gebleven.

In zijn rede schetst minister Voorhoeve de affaire-Srebrenica als een noodlottige samenloop van omstandigheden, met generaal Mladic in de rol van ultieme slechtaard. Ook legt de minister de nadruk op de schuld der nalatigheid van de internationale gemeenschap. Maar de schuld van die denkbeeldige gemeenschap mist relevantie - als iedereen verantwoordelijk is, is niemand meer aansprakelijk.

De kampflosen Übergabe van Dutchbat blijft vragen oproepen over de kwaliteit van de voorbereiding in Nederland en de bevelvoering ter plaatse. Anders gezegd: bestaat er een Nederlandse schuld der incompetentie?

Een gezichtspunt dat in dit verband onderbelicht is gebleven is het moreel. Het woord 'moreel' slaat hier op de bereidheid tot vechten. Het moreel is de harde kern van de gevechtskracht.

Voorwaarde voor een goed moreel is dat officieren en manschappen precies weten wat er van hen wordt verwacht. In Srebrenica wist men dat echter niet. Dat blijkt uit de klachten van Dutchbatters over de vaagheid van het VN-mandaat. Ook is er gezegd dat het VN-mandaat de troepen de handen op de rug bond.

Uit VN-resolutie 836 blijkt echter dat de blauwhelmen in de enclave gelegerd waren om aanvallen af te schrikken (“to deter attacks”). Het is niet duidelijk waarop afschrikking anders kan berusten dan de bereidheid tevechten. Gegeven de oorlogstoestand in Bosnië vergde de primaire taak, het beschermen van de vluchtelingen, hoe dan ook het verdedigen van het grondgebied van de enclave. De VN-troepen waren daartoe ook met zoveel woorden bevoegd verklaard. (“Authorises [...] the use of force [...] in reply to armed incursion”). Aldus gold het gebruik van geweld tegen gewapende invallen als gerechtvaardigde zelfverdediging.

Maar officieren en manschappen hadden tijdens hun opleiding iets heel anders te horen gekregen. In die opleiding was voortdurend gehamerd op de onpartijdigheid van de VN-troepen. De blauwhelmen moesten onpartijdig blijven in het al eeuwenlang door bloedvetes en stammenstrijd geplaagde Bosnië. Menig Dutchbatter meende oprecht dat die onpartijdigheid betekende dat er nooit zou hoeven worden gevochten.

Een andere misvatting was dat Dutchbat tot taak had het Bosnische regeringsleger te ontwapenen. Ook het zogeheten debriefingsrapport van minister Voorhoeve gaat daarvan uit. Dat is niet terecht, want VN-resolutie 836 stond de aanwezigheid in de enclave van Bosnische troepen en milities uitdrukkelijk toe.

Het is evident dat al die wonderlijke opvattingen over de inhoud van het VN-mandaat afbreuk deden aan het moreel, en dat ze bovendien nodeloze wrijving met de moslims in de hand werkten.

Evenzeer desastreus voor het moreel (nogmaals: de mentale bereidheid te vechten) was de maandenlange blokkade van de bevoorrading door de Serven. Er heerste een nijpend gebrek aan voedsel, brandstof, munitie en reserve-onderdelen. Minister Voorhoeve is pas in de vierde maand van de blokkade persoonlijk bij de bondgenoten bevoorrading door de lucht gaan bepleiten. Maar toen vonden sommige bondgenoten het te riskant en was het te laat.

Er zijn nog veel onbeantwoorde vragen. Heeft de minister zich aan het lijntje laten houden? Heeft hij, gelet op de op het spel staande Nederlandse belangen, voldoende druk uitgeoefend? En waarom heeft de minister geen eigen alternatieven ontwikkeld, bij voorbeeld door desnoods op eigen houtje luchtaanvoer te arrangeren?

Er is gewezen op de risico's van bevoorrading per helikopter wegens de Servische luchtafweer. Maar bij het gebruik van vliegtuigen was dat veel minder het geval. Kan nu werkelijk worden volgehouden dat minister Voorhoeve hemel en aarde heeft bewogen om de luchtaanvoer van de grond te krijgen?

Hoe dan ook: zowel de opleiding als het blokkadeprobleem lagen binnen de formele en feitelijke beïnvloedingssfeer van minister Voorhoeve. Beide factoren werkten sterk negatief uit op het moreel en de gevechtskracht. Het lijdt geen twijfel dat ze een belangrijke rol speelden bij de val van de enclave.

Nu de volgende hoofdvraag: was er tijdens de Servische opmars sprake van een adequate commandovoering door de bataljonsleiding? Over 'Srebrenica' zijn door minister Voorhoeve vele honderden bladzijden documentatie geproduceerd. Maar vreemd genoeg bevatten die stukken niet of nauwelijks gegevens om de kwaliteit van de bevelvoering te kunnen beoordelen.

Duidelijk is in elk geval dat er sprake is van een driepartijen-situatie: er waren Dutchbat, het Bosnische regeringsleger en de Serven. Er gold een afspraak dat het Bosnische regeringsleger posities zou bezetten tussen de zogeheten observatieposten. De bataljonsleiding had de moslims evenwel nooit willen beloven dat Dutchbat zich met alle mogelijke middelen tegen een Servische inval zou keren. Op zichzelf was het verstandig de moslims hierover in het ongewisse te laten. Anders zouden zij er immers belang bij kunnen krijgen Dutchbat in hun strijd te verwikkelen door Servische aanvallen uit te lokken.

Er zijn echter aanwijzingen dat de bataljonsleiding, toen de gewapende inval van de Serven eenmaal een feit was (op 6 juli), te lang op het spoor der afzijdigheid is blijven zitten. Wellicht had dat te maken met de slechte relatie tussen Dutchbat en de moslims. Pas op 10 juli (één dag vóór de val) begint de bataljonsleiding de militaire verrichtingen te coördineren met die van het Bosnische regeringsleger.

Terug naar het begin van de vijandelijkheden op 6 juli. De Serven beschoten toen de buitenposten en overschreden de enclavegrens. Het VN-mandaat vergde onder die omstandigheden dat Dutchbat de verdediging van de enclave ter hand nam. Het Bosnische regeringsleger was vanaf diezelfde datum met de Serven in gevecht. In die situatie was het noodzakelijk de verdediging te coördineren, omdat Dutchbat in zijn eentje geen partij voor de Serven was. Hetzelfde gold voor het Bosnische regeringsleger. Alleen met vereende krachten, en liefst mèt de benodigde luchtsteun, had men het tegen de Serven kunnen bolwerken. Generaal Mladic kijkt tenslotte hoever hij kan gaan, om het bij een teveel aan weerstand elders te zoeken.

En het Bosnische regeringsleger was ook allerminst een verwaarloosbare factor. Het telde ruim 3.000 man en beschikte over mortieren en antitankwapens. Het sterk geaccidenteerde en dichtbegroeide terrein leende zich ook voor een verdediging door lichtbewapende troepen. Zo was het in dit terrein voor de roestige Servische tanks uiterst moeizaam manoeuvreren.

Vanaf de eerste beschietingen werd er door de Bosniërs hard gevochten. Ze vochten immers voor hun leven. De aanvankelijke bewering van minister Voorhoeve, bij brief aan de Tweede Kamer gedaan, dat de Bosniërs vanaf het begin van het Servische offensief weinig of geen weerstand boden, is onjuist en wordt in zijn eigen debriefingsrapport gelogenstraft.

Maar in plaats van aanstalten te maken de enclave te verdedigen, beperkte de bataljonsleiding zich tot het inroepen van luchtsteun. Gegeven echter de strategische voorkeuren van VN-bevelhebber Janvier (hij wilde van de enclaves af) moest die luchtsteun wel uitblijven. Althans, zolang Dutchbat niet gewikkeld was in gevechtshandelingen. Het moet immers uitgesloten worden geacht dat de Franse generaal Janvier luchtsteun ook zou hebben onthouden als Dutchbat het gevecht eenmaal was aangegaan.

Toen sneuvelde op 8 juli soldaat Van Renssen. Hij werd getroffen door een handgranaat van de moslims, die zich verzetten tegen het opgeven van een buitenpost. Dit leidde tot grote ontsteltenis in de Nederlandse gelederen. In de consternatie gaf luitenant-kolonel Karremans een fatale aanwijzing voor de commandanten van de buitenposten. Aan de betrokken commandanten - allen onderofficieren - werd volledige vrijheid van handelen gegeven bij het al dan niet 'loslaten' van hun post. Als enige richtlijn gold daarbij de eigen veiligheid voorop te stellen (debriefingsrapport, blz. 27).

Deze instructie is een abdicatie van de bevelvoering. In het rapport van minister Voorhoeve wordt er nochtans over gezegd, dat zij “geheel conform” een eind mei door VN-generaal Rupert Smith gegeven bevel is. (In dàt bevel wordt de uitvoering van van het mandaat inderdaad ondergeschikt gemaakt aan de eigen veiligheid). Maar het bevel van Smith miste toepassing, omdat het indertijd was uitgevaardigd wegens de Servische gevangenneming van circa 400 UNPROFOR-militairen - een gijzeling die drie weken tevoren was geëindigd. Bovendien werd in Smith' bevel uitdrukkelijk de 'Superior-Commandander' aangewezen (hier dus: Karremans) als degene die moest beslissen over het opgeven van posities.

Door die beslissing toch aan korporaals en sergeants over te laten versplinterde het bataljon als gevechtseenheid. Karremans' bevel was ook het tegendeel van een aansporing tot vastberadenheid. En daarmee was de kans op het voeren van een deugdelijke verdediging, ter uitvoering van het VN-mandaat, voorgoed verkeken. Het was dan ook geen wonder dat de manschappen op de betrokken buitenposten zich zo makkelijk door de Serven lieten ontwapenen en afvoeren. Drie dagen later viel de enclave.

De Nederlandse regering heeft echter gelijk. Dutchbat, zijnde de ruim 400 Nederlandse militairen ter plaatse, treft geen blaam. Zij moesten het doen met een slechte opleiding, een lamgelegde bevoorrading, en een zwakke bevelvoering. Wat dat laatste betreft: het lijkt er sterk op (het RIOD gaat dat misschien uitzoeken), dat Karremans zich richtte naar aanwijzingen uit Den Haag om de eigen veiligheid voorop te stellen en casualties koste wat het kost te vermijden.

Intussen fungeert Dutchbat als bliksemafleider voor de kritiek op de politieke en militaire leiding. Het komt minister Voorhoeve ook wel goed uit wanneer hij zich als beschermer van 'Dutchbat' kan opwerpen. Dat maakt het immers makkelijk kritiek inzake het Nederlandse non-optreden en de verantwoordelijkheid van de politieke en militaire leiding daarvoor af te doen als een misplaatste aanval op de 400 Dutchbatters.

Aldus blijft minister Voorhoeve zich verschuilen achter allerlei collectiviteiten: naast de onmisbare 'internationale gemeenschap' en diens alter ego 'de' Verenigde Naties, is er nu ook 'Dutchbat'. Ter zuivering van de blaam die de 400 Dutchbatters nog steeds aankleeft, is het daarom noodzakelijk dat het ministerie van Defensie volstrekte opening van zaken geeft. De heetste hangijzers zijn uiteraard de werkelijke Nederlandse opstelling jegens de bondgenoten in de maanden en dagen vóór de val èn de door Den Haag aan de bataljonsleiding gegeven wenken.

Laten we hopen dat de Nederlandse regering het RIOD opdracht geeft ook díe zaken tot op de bodem uit te zoeken.