Somberheid overheerst Palestijns dorp

HEBRON, 5 OKT. Iedereen lijkt ongelukkig in het gehucht aan de omleidingsweg tussen Hebron en de joodse nederzetting Kiryat Arba. De eigenaar van een schuur, die een winkeltje blijkt te zijn, wijst somber naar het huis met de aangrenzende puinhoop aan de overkant van de weg. “Mijn huis daar heeft vier kamers”, vertelt hij.

“We groeiden eruit en dus bouwden we ernaast nog een huis, niet wetend dat we in Gebied-C zaten (dat geheel onder Israelisch bestuur is) Israel verwoestte dat nieuwe huis, omdat ik geen vergunning had aangevraagd. Een joodse soldaat zei tegen me: jouw winkel komt onder Palestijns en jouw huis onder Israelisch bestuur. We weten niet wat God zal doen.”

“Dat huis daar is uit 1967. Het land heb ik gekocht van mensen uit Hebron. Voor de oorlog van 1948 stonden hier maar twee huizen - dat was alles. Wij waren boeren en woonden in grotten vlakbij de grens. Daar hadden wij land. Maar toen heeft Israel ons daaruit verjaagd. En nu is het militair gebied.”

Hij heeft vier getrouwde zoons, een ongetrouwde en zeven ongetrouwde dochters. En elk van die zoons heeft tien tot elf kinderen. Hij telt en telt - en telt nog eens. “Ik denk dat we met z'n zestigen zijn. Alles bij elkaar wonen hier ongeveer duizend mensen. Verschillende families, hoewel iedereen met een neef of nicht is getrouwd. Maar we zijn modern geworden: je kiest nu zelf met welke nicht je wilt trouwen.”

Dan zegt hij boos: “Mijn vijf zonen zitten thuis niets te doen. Niemand krijgt vergunning om in Israel te werken. Onze situatie is verschrikkelijk. Maar God helpt ons. Soms eten we, soms niet. Onze situatie is als de vingers van een hand: die zijn ook allemaal ongelijk. Ik verdien iets in de winkel - ongeveer tien shekel (vijf gulden) per dag.

Mijn zoons gaan naar de afvalhoop en zoeken daar metalen, zoals koper en zilver. Ze verkopen die in Hebron. Met z'n vieren verdienen ze daarmee ongeveer 160 shekel per dag. Ik heb nog wat land, maar dat ligt achter de omleidingsweg en dat kan ik niet gebruiken. En bij mijn huis heb ik alleen één dunam (10.000 vierkante meter) land.''

“We hebben geen water-aansluiting. We kopen water in Yatta, ongeveer twaalf kilometer hier vandaan. Daar is indertijd een grote put geboord. Dat kost me honderd shekel voor drie kubieke meter. We hebben zelf ook een put, maar die is nu leeg. Grotere watertanks zijn goedkoper, maar daarvoor heb je een vrachtauto nodig en die hebben we hier niet. De meesten van ons zijn boeren - dus hebben we wel tractoren. En de mensen hier doen niets samen. Ieder haalt zijn eigen water. Voor ons bestaat er geen politiek, alleen religie.”

Zijn van afvalhout gebouwde winkel bestaat uit een ruimte van drie bij anderhalf meter, waar op een brede plank wat snoepjes, schriften, koekjes en blikjes frisdrank zijn uitgestald. Er staat ook een smal eenpersoonsbed. “Dat is voor mij en mijn vrouw. In huis is er geen ruimte meer, maar het bed is wel erg smal voor ons tweeën.” Zijn vrouw, gehuld in traditionele kleding, lacht met een paar tanden. Een jongentje komt eraan, vraagt iets en vertrekt weer. “Hij had alleen tien agoroth (vijf cent) te besteden; daarvoor sta ik niet op”, zegt de winkelier.

Een man met een pet op mengt zich in het gesprek. “Ik werk nog steeds in Israel. In de bouw. Geen vast werk. Ik ben de koning van het dorp, want ik verdien veel geld: 80 shekel per dag. Maar ik heb zeven kinderen die naar school gaan en boeken en schriften moeten hebben.

Voor mij is het bijna hetzelfde als geen werk te hebben. Het is toch niets: tien shekel per uur? Voordat het Palestijnse Gezag kwam, was het hier beter, maar nu met die afsluitingen.... Ik ben 50 jaar en ik werk niet alleen voor mijn eigen kinderen, maar ook voor mijn neven en mijn twee getrouwde zoons.''

“Tijdens de intifadah was het hier zo rustig. Je kon overal naar toe. Ik kon in Israel overnachten. Ik heb een zoon, getrouwd met zes kinderen en zonder werk. Natuurlijk moet ik hem onderhouden, anders gaat hij misschien stelen of zoiets. U zegt: minder kinderen maken? Dat mag helemaal niet. Volgens de islam is het verboden om het aantal kinderen te beperken.” Een dorpsgenoot onderbreekt hem. “Ik heb geen vrouw en geen kinderen. Het enige wat ik bezit, is een ezel, een kar en God.”

Drie kinderen kopen voor 1 shekel koekjes en limonade. “Je ziet hoe goed het hier gaat”, zegt de eigenaar smalend. “Mensen lopen zeven tot acht kilometer naar de vuilstort om daar naar stukken brood te zoeken die door de Israelische militairen zijn weggegooid. In Yattta wonen 60.000 mensen waarvan 20.000 kunnen werken.

Weet je hoeveel mensen daar een werkvergunning voor Israel hebben? 2.500. Men probeert natuurlijk langs sluikwegen Israel binnen te komen om daar werk te zoeken. Misschien lukt dat nóg eens duizend man. Maar als ze je pakken, is de boete 1.000 shekel. En vaak gaan de jongeren nog eens twee, drie maanden de cel in.''

“Ik heb zelf een jaar geleden geprobeerd illegaal de grens over te komen, maar ik werd betrapt. Ik ging zeven dagen de gevangenis in en kreeg 800 shekel boete, met de waarschuwing dat de straf volgende keer zes maanden gevangenis en een boete van 5.000 shekel zou zijn. Ik doe het niet meer. Mijn zoon is ook een keer gepakt. Hij zat zes maanden in Be'ersheba gevangen.

Pas na twee maanden hoorde ik dat. Toen kreeg ik na veel toestanden een vergunning van een dag om hem te bezoeken. Als deze situatie nog lang doorgaat, komt er een nieuwe intifadah, niet alleen tegen Israel maar ook tegen Arafat. Wat kun je verwachten van mensen die nog net geen honger lijden, maar waar de honger op de loer ligt?''

“Mijn zoon heeft vandaag geluk gehad; hij heeft een stuk aluminium gevonden bij het afval en tien shekel verdiend. Vanochtend om zeven uur is hij vertrokken. Hij heeft zeven kilometer gelopen en was om vijf uur vanmiddag weer thuis, nadat hij opnieuw zeven kilometer had gelopen. Het leven is verschrikkelijk. We leven en we zijn al dood. Maar wat doe je eraan, als God het zo wil?”