Politisering bedreigt openbaar ministerie

DEN HAAG, 5 OKT. De IRT-affaire heeft verrassende bij-effecten. Sluipenderwijs lijken zich een aantal veranderingen in de rechtsstaat te voltrekken die tot voor kort ondenkbaar waren. Zo legt de minister van Justitie het openbaar ministerie aan de ketting. Waar officieren van justitie tot voor kort een grote mate van onafhankelijkheid hadden, worden zij nu in het keurslijf van 'rijksambtenaar' geperst.

De minister zal vaker over de schouder van de magistraat meekijken en hem soms zelfs voorschrijven hoe hij in individuele strafzaken moet optreden.

Mede met het oog op de 'drievoudige crisis in de opsporing' stemde de Tweede Kamer deze week in met het voorstel van met minister Sorgdrager dat het openbaar ministerie expliciet onder haar verantwoordelijkheid brengt. “De ministeriële bevoegdheden jegens het OM zijn in beginsel onbeperkt”, schreef Sorgdrager op 28 juni in een brief waarin ze haar visie op de relatie tussen de minister en het openbaar ministerie uiteenzette. “Het OM oefent zijn taken en bevoegdheden uit onder de volledige verantwoordelijkheid van en onder de volledige zeggenschap van de minister van Justitie.”

Met een paar ferme pennestreken beslechtte minister Sorgdrager een jarenlange strijd in het voordeel van de politieke gezagsdrager op het ministerie van Justitie. “Bij wollig taalgebruik is niemand gebaat”, verklaarde ze donderdag in de Tweede Kamer.

De verhouding tussen de minister en de magistratuur is er sinds die brief niet beter op geworden. Dat de minister een stevige greep moet krijgen op het OM-beleid inzake opsporingsactiviteiten wordt sinds de IRT-affaire nauwelijks nog betwist. Maar de rechterlijke macht heeft wel ernstige bezwaren tegen Sorgdragers plannen om in te grijpen bij het optreden van officieren van justitie in individuele gevallen. De minister heeft het recht om opdracht te geven een persoon te vervolgen, zoals zij onlangs deed bij een arts uit de provincie Groningen die het leven had beëindigd van een ernstig zieke baby. Zij wilde “in het algemeen belang” een rechterlijke uitspraak afdwingen waarop het vervolgingsbeleid van het OM kon worden afgestemd. Kabinet en Kamer hebben die richtlijnen tot dusverre niet willen opstellen.

De minister stelt verder expliciet dat zij het recht heeft om een officier van justitie opdracht te geven om in een individuele zaak van vervolging af te zien, waar de officier vervolging wilde instellen. Bovendien wil de minister de “hoofdlijnen van het requisitoir” van de officier van justitie kunnen opdragen. Om de parlementaire controle op dit punt te garanderen zal de minister elke aanwijzing schriftelijk vastleggen. Om “zelfs maar de schijn van politieke of persoonlijke vooringenomenheid” van de minister te vermijden, zal Sorgdrager dergelijke opdrachten “met uiterste terughoudendheid” en “bij hoge uitzondering” verstrekken, zo verzekerde de minister gisteren in de Tweede Kamer. Zij zal “in de praktijk” het openbaar ministerie zoveel mogelijk ruimte laten, en moeten laten, stelt Sorgdrager met klem.

Maar het kwaad is al geschied. In een reactie stelde de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), de belangenvereniging voor zowel de zittende als de staande magistratuur, dat de minister zich niet heeft te bemoeien met individuele zaken. Het gevaar van politieke beïnvloeding bij vervolgingsbeslissingen wordt met haar plannen te groot, meent de NVvR.

Veel officieren van justitie hebben moeite met de voor het eerst in zulke heldere taal beschreven gezagsrelatie tussen de minister van Justitie en het openbaar ministerie. Zij voeren het feit aan dat de wetgever de taak van het instellen van vervolging rechtstreeks toekent aan het openbaar ministerie. De minister van Justitie maakt geen deel uit van het openbaar ministerie, en mag derhalve niet in de rechtszaal optreden.

Maar, zo stelt Sorgdrager, het feit dat die bevoegdheden niet aan een minister, maar aan “onder de hiërarchie van de minister opererende ambtenaren worden toegekend, doorbreekt de ministeriële verantwoordelijkheid en de ministeriële bevoegdheden niet”.

Sorgdrager maakt de vergelijking met ambtenaren van de belastinginspectie, die ondergeschikt zijn aan de minister van Financiën. Zij voeren weliswaar hun eigen taken uit, maar doen dat onder zijn verantwoordelijkheid. Ook in dit geval is de minister volledig bevoegd om opdrachten aan hen te geven, aldus Sorgdrager. De uitgangspunten van Sorgdrager ontlokten onlangs prof. H. de Doelder, hoogleraar straf- en strafprocesrecht aan de Erasmus Universiteit, de cynische opmerking in het Algemeen Dagblad: “Als de minister zo graag de baas wil zijn in het OM, waarom is ze dan geen officier van justitie gebleven? Dan had ze kunnen seponeren en requireren zoveel zij wilde.”

Veel strafrechtgeleerden vragen zich met De Doelder vertwijfeld af of de magistratelijke ambtenaar niet wordt gedegradeerd tot een gewone ambtenaar die louter bevelen van de minister uitvoert. De nieuwe gezagsrelatie heeft grote betekenis voor de verhouding tussen officieren van justitie - die zich afvragen of zij niet door het leven zullen gaan als officieren van het ministerie van Justitie - en rechters. Eén van de vragen die het beleid van Sorgdrager oproept is of officieren in de rechtszaal nog wel aan de tafel van de rechter moeten plaatsnemen en niet op dezelfde afstand tot de rechter als de advocaat van de verdachte.

Sorgdrager bestreed vorige week in een vraaggesprek met deze krant de gedachtengang dat officieren geen enkele eigen inbreng meer kunnen hebben in het strafproces. Maar om aan alle onzekerheid over de positie van de officier een eind te maken, zei de bewindsvrouw tegelijkertijd dat officieren van justitie overeenkomstig de nu nog geldende cultuur binnen het OM “nog te veel de onafhankelijke magistraat zijn”. Het tijdperk van de onafhankelijkheid van de staande magistratuur, als onderdeel van de rechterlijke macht, lijkt daarmee definitief voorbij.

Ondanks haar revolutionaire plannen zei Sorgdrager gisteren “geschrokken” te zijn van de heftige kritiek uit magistratelijke kringen op haar plannen. “Ik had dit ook niet verwacht.” De Tweede Kamer ziet in staatsrechtelijke zin weinig bezwaren in haar redenering over de verhouding tussen minister en openbaar ministerie. De verontrustende reacties binnen de rechterlijke macht zijn volgens het parlement overwegend van emotionele aard, ingegeven door de strenge toonzetting van minister Sorgdrager in haar brief. De Kamer wil voorkomen dat zij ooit nog wordt geconfronteerd met de schimmige situatie ten tijde van de IRT-affaire, waarin alle betrokkenen de verantwoordelijkheid afschoven op anderen, en daarmee op niemand.

De IRT-affaire en de daarop volgende parlementaire enquête opsporingsmethoden zijn daarmee van veel grotere invloed geweest op de inrichting van Nederland dan de discussies over de personele maatregelen van het debacle deden vermoeden. Zo greep minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) de conclusies van de commissie-Van Traa eerder dit jaar aan om een aantal wijzigingen voor te stellen in de politie-organisatie. Hij pleit al enige tijd voor meer bevoegdheden over de korpsen, die in zijn ogen te onafhankelijk opereren.

Een kleine twee jaar geleden stemde de Kamer op een koude dag vlak voor Kerstmis in met de oprichting van een landelijk rechercheteam. Aan het begin van dat jaar hadden parlementariërs nog om het hardst geroepen dat er geen enkele behoefte was aan een 'Nederlandse FBI'. Van de politieke weerzin tegen een nationale politie-eenheid was na de eerste berichtgeving over de ernst van de georganiseerde misdaad niets meer over.

Inmiddels staat de officiële oprichting van een landelijk opererend openbaar ministerie voor de deur, en is de reorganisatie van datzelfde openbaar ministerie in volle gang. De evaluatie van de onlangs vernieuwde politiestructuur begint dit najaar en het is niet uitgesloten dat deze, onder invloed van alweer de IRT-affaire, opnieuw een kleine revolutie zal veroorzaken.