Nevenfuncties

In NRC HANDELSBLAD van 26 september spreekt G.J. Schutte over de geloofwaardigheid van de overheid. Dit naar aanleiding van de discussie rond VVD-leider Bolkestein. Naar mijn mening gaat de auteur ongenuanceerd met de materie om.

Schutte haalt de nieuwe Gemeentewet aan als voorbeeld van regelgeving met betrekking tot nevenfuncties van volksvertegenwoordigers. Waarom de Gemeentewet op dit punt interessant is, laat hij onbesproken. Hij wekt de suggestie dat bepalingen omtrent nevenfuncties pas in de nieuwe Gemeentewet zijn opgenomen. Reeds de oude Gemeentewet bevatte bepalingen omtrent onverenigbare betrekkingen.

Daarnaast voert Schutte aan dat de eed (of belofte) het sluitstuk is van de reeks 'gedragsvoorschriften'. Mijns inziens geldt de eed (of belofte) als voornaamste waarborg tegen incorrect gedrag. Zij doet namelijk een beroep op het moreel besef van de volksvertegenwoordiger. Derhalve geen sluitstuk, maar beginpunt van een carrière als politicus.

Schutte vindt het begrijpelijk dat er ten aanzien van de leden van de Tweede Kamer geen geschreven verboden handelingen gelden (anders dan art. 57 Grondwet en art. 159 Reg. van Orde Tweede Kamer). Met het argument dat de Kamer geen bestuursorgaan is. In mijn optiek is het belangrijker - om met Schutte's woorden te spreken - een 'zuiver' parlement te hebben, dan gemeenteraad. Tegen besluiten van de gemeenteraad kun je bezwaar en beroep indienen. Tegen besluiten van de Kamer niet. Bovendien denkt de auteur niet erg hoog over zijn taak: “Alleen controlerende en mede-wetgevende taken heeft”.

Ook ziet hij weinig heil in een geschreven gedragscode. Als argument gebruikt hij dat deze niet afdwingbaar is en in algemene bewoordingen vervat is (evenals de vertrouwensregel minister-Kamer, die wel werkt).

Daarnaast voert hij het argument van negatieve interpretatie aan. Waarmee hij wil zeggen: we stellen regels vast, maar we lezen ze in de trant van 'wat staat er niet in?'. Daaruit trekken we conclusies en stemmen ons gedrag op af. Het juiste argument is dat de Tweede Kamer de gedragscode zelf zal moeten opstellen en vaststellen (premier Kok vindt het een zaak van de Kamer zelf, Het Parool, 28 september) en daarom weinig effect zal sorteren. Zoiets als een crimineel het Wetboek van Strafrecht laten opstellen.

Aan het eind van zijn betoog begaat Schutte, misschien vanuit zijn overtuiging, een vreemde redenering. Als donderslag bij heldere hemel haalt hij de geloofwaardigheid van de overheid aan? Welk beeld van de overheid staat Schutte dan voor ogen? In ons systeem van teugels en tegenwichten kun je in geval van incorrect gedrag ambtenaren ontslaan (Van Traa-doctrine) en politici niet meer herkiezen. De stelling dat wangedrag van politici de geloofwaardigheid van de overheid aantast, gaat mij te ver.