NAMIBIË (1)

Rob Knoppert schetst in 'Wiskunde in Namibië' (W&O, 7 september) een beeld van een wiskundeles in een Namibische school. Namibië was tot zijn onafhankelijkheid in 1990 onderdeel van Zuid-Afrika. Het apartheidsregime aldaar stond bekend om zijn onderdrukking van het niet-blanke deel van de bevolking.

Onderwijs was in die jaren met name bedoeld voor blanken. Zwarte leerlingen volgden vaak wel lager onderwijs, maar van die groep stroomden slechts enkelen door naar het voortgezet onderwijs. Daar kregen ze een vakkenpakket met boekhouden en bijbelkennis. Vakken als wis- en natuurkunde zaten daar niet in, omdat het apartheidsregime dit soort vakken op zwarte scholen een verspilling van moeite en geld vond.

Het gevolg van deze politiek was duidelijk zichtbaar op het moment dat Namibië zijn onafhankelijkheid verkreeg. Het Namibische docentenkorps was grotendeels ongekwalificeerd en onervaren, een situatie die nog steeds bestaat, in het bijzonder bij wis- en natuurkunde. Er is een groot tekort aan leraren en vaak worden leerlingen die net hun eindexamen hebben gehaald voor de klas gezet. Dat in 1993 slechts 15 procent van de leerlingen het eerste nationale examen voor wiskunde aan grade 10 (derde klas voortgezet onderwijs) met een positief resultaat afrondde, toont aan het wiskunde-onderwijs geweldige problemen heeft. Bovendien zorgde de overschakeling van het Afrikaans als voertaal naar het Engels voor een enorm probleem, waarvan de omvang duidelijk mag zijn als u zich voorstelt dat vanaf aanstaande maandag alle docenten op Nederlandse scholen in het Engels zullen moeten lesgeven en dat leerlingen alle repetities in het Engels zullen moeten maken.

Onderzoek dat de afgelopen jaren is uitgevoerd in Afrikaanse klassen levert een pessimistisch beeld op. De docent staat als de centrale figuur voor een klas met zwijgende leerlingen. De docent stelt hier en daar een vraag die de leerlingen in koor beantwoorden. Leerlingen stellen vrijwel nooit vragen. Praktisch werk komt zelden voor. Namibië vormt hierop geen uitzondering. De les die Knoppert beschrijft komt aardig overeen met die onderzoeksresultaten. In de zeer moeilijke omstandigheden waarin vooral het wiskunde-onderwijs in Namibië opereert, is het evenwel een wonder dat de les waarbij Knoppert aanwezig was, überhaupt plaatsvond. Bij alle misverstanden die Knoppert signaleert, neemt hij gemakshalve maar aan dat de docent, die ongewild slachtoffer is geworden van zijn eigen gastvrijheid, ook daadwerkelijk en op adequaat niveau een docenten-opleiding heeft gevolgd. Wanneer Knoppert vervolgens voorstelt eeuwenoude volkskennis te vervangen door betere kennis (in plaats van te suggereren de bestaande kennis als uitgangspunt van de wiskundeles te nemen), en wanneer hij tot slot een terloopse opmerking weet te maken over een opgevangen roddel over het seksuele gedrag van de docent, begin ik me af te vragen of hij werkelijk belang stelt in het onderwijs in Namibië.