Lusthof aan zee; Tweede Maasvlakte loert op Voornes duin

De beslissing over de aanleg van een tweede Maasvlakte zal pas worden genomen na een nationale discussie. Als die discussie leidt tot torpedering van het plan, zal Voornes duin zijn status van rijkste duingebied van West-Europa kunnen behouden.

JAN TIMMERMAN (58) weet plant en bloem zonder de minste aarzeling te benoemen: “Dit is de watermunt, herkenbaar aan zijn geurig blad, hier een exemplaar van de bitterling, die elders in Nederland praktisch is uitgestorven, en daar de wespenorchis en waternavel.” Maar wat overheerst, is de witgekleurde parnassia, die ondanks het gevorderde jaargetij nog in volle bloei staat. De plek heet niet voor niets Parnassiavlak, een van de vochtige valleien die kenmerkend zijn voor de duinen van Voorne, onder biologen bekend als het rijkste duingebied van West-Europa. Met andere woorden: van het puntje van Jutland tot Bretagne en de Engelse kust inbegrepen vindt men hier de grootste verscheidenheid aan wilde planten en dieren.

Timmerman is opzichter van de stichting Het Zuidhollands Landschap, die op de Kop van Voorne 550 hectare duin beheert, grenzend aan een nog groter deel waar de Vereniging Natuurmonumenten zich over ontfermt. Vooral het Parnassiavlak geldt als een botanische lusthof; daar doen de hoogspanningsmasten en kolossale grijpers voor ertsoverslag op de naburige Maasvlakte niets aan af. “We krijgen hier regelmatig floristische studenten uit Amsterdam en Leiden op bezoek en die kijken hun ogen uit.” Timmerman schrijft het uitbundig plantaardig leven deels toe aan gunstige natuurlijke omstandigheden, in de bijzonder voedselarme, kalkrijke grond en een ongestoorde waterhuishouding. Maar anderzijds aan de wijze van beheer: “We zijn hier permanant bezig de verbossing of verhouting tegen te gaan. Berk, els en kruipwilg worden te vuur en te zwaard bestreden. Gebeurde dat niet, dan zou de zaak binnen de korte keren dichtgroeien.”

Elders in 'zijn' territorium laat Timmerman zien hoe de natuur zonder ingrijpen van de mens kan degraderen en verarmen. In een kleiner valleitje zijn de zeldzame soorten vrijwel verdwenen ten gunste van brandnetel, braam en harig wilgenroosje. Het algemene heeft het bijzondere overwoekerd en verdrongen, een proces van verruiging, dat her en der zijn tol eist en ook Voorne niet ongemoeid laat. “Ooit was dit het ultieme duinmilieu, waar iemand als Jac. P. Thijsse, natuurbeschermer van het eerste uur, hoog over opgaf. Brede stranden, nieuwe-duinvorming en wandelende zandplaten voor de kust, kortom een uiterst dynamisch deel van Nederland, maar dat is helaas verleden tijd. En het dreigt allemaal nog erger te worden”, voorspelt de grijze opzichter met een vluchtig handgebaar in noordwestelijke richting, waar Rotterdam expansie zoekt voor zijn havens en industrie.

Timmermans zorgen - en die van de natuurbescherming in het algemeen - worden ingegeven door plannen voor een tweede Maasvlakte als verlengstuk van de eerste, die tussen 1967 en 1976 tot stand kwam. Rotterdam zou opnieuw een stuk Noordzee willen inpalmen om zijn ruimtenood (of vermeend ruimtegebrek) op te heffen met als gevolg dat ten zuiden daarvan, in Voornes duin, de nog resterende dynamiek, teweeggebracht door zand, zee en zilte wind, nagenoeg zou wegvallen. En dat in een gebied dat al een zwaar offer heeft gebracht door natuurreservaat De Beer prijs te geven aan de petrochemische industrie.

Daar is destijds, eind jaren vijftig, maar zwakjes tegen geageerd. Later, in 1968, klonken luidere protesten, toen Rotterdam zijn plan 2000+ lanceerde, dat onder meer voorzag in een zuidwaartse uitbreiding van de Maasvlakte, waardoor de Kop van Voorne geheel van zee zou worden afgesloten. Tot degenen die hiertegen hun stem verhieven, behoorde dr. M.J. Adriani, directeur van een in Oostvoorne gevestigd biologisch station, die sprak van een 'rampzalig' plan, dat de ondergang van de duinen zou inluiden: “Die moeten nu eenmaal aan een onversneden zee grenzen, anders blijft er niets van over.” Hij en andere natuurvorsers boekten in zoverre succes, dat de toenmalige minister van ruimtelijke ordening, Bogaers, een streep door een aantal grootstedelijke ambities haalde, zodat Voorne nog redelijk intact kon blijven.

Nu, ruim een kwart eeuw later, worden de messen over en weer opnieuw geslepen, al zijn er wel verschillen met toen. Afgelopen voorjaar heeft het kabinet-Kok besloten een eventuele uitbreiding van 'mainport Rotterdam' te onderwerpen aan een nationale discussie over nut en noodzaak van Maasvlakte II (kosten tussen de vijf en acht miljard gulden) om pas daarna, waarschijnlijk in de loop van 1997, een definitieve beslissing te nemen. Dit tot tevredenheid van de particuliere natuurbescherming, die de stap van de regering als een 'inspraakprimeur' heeft begroet.

OPEN PLANPROCES

“Hiermee”, zegt J. de Jong van het Zuidhollands Landschap, “hoopt het rijk frustrerende discussies achteraf te vermijden. De gang van zaken bij de Betuwelijn geldt daarbij als voorbeeld hoe het niet moet. Daar werden hoorzittingen georganiseerd, terwijl het besluit tot aanleg al min of meer vaststond. De ruimte ontbrak voor beantwoording van de fundamentele vraag of zo'n Betuwelijn wel nodig was, wat tot krampachtige en jarenlang slepende debatten leidde.

Dat moet nu allemaal anders. Een open planproces, investeren in zorgvuldigheid en niet aansturen op één oplossing, dat is de inzet waarmee het kabinet de dialoog met het publiek wil voeren en daar doen we van harte aan mee.''

Voor De Jong en zijn mede-natuurbeschermers is het nog lang geen uitgemaakte zaak dat Maasvlakte II er moet komen. Wordt de thans beschikbare capaciteit in Rijnmond wel efficiënt genoeg benut? Kunnen andere Nederlandse havensteden als Amsterdam, Vlissingen en Delfzijl misschien uitkomst bieden? Is niet een betere taakverdeling tussen de belangrijkste Westeuropese havens denkbaar? En dan: bij een nauwgezette afweging van alle maatschappelijke kosten en baten mag de natuur geen tweede viool meer spelen, want die vertegenwoordigt een essentieel maatschappelijk belang.

De Jong: “Als die tweede Maasvlakte een schiereiland voor de kust van Voorne wordt, zal het duingebied verder in de luwte komen te liggen met alle kwalijke gevolgen vandien. Alleen als het duin aan open zee blijft grenzen, zijn zeldzame kustplanten als teer guichelheil, bitterling, parnassia en wilde orchideeën in staat te overleven.” En als Maasvlakte II onontkoombaar zou blijken? De Jong: “Dan opteren we voor de minst schadelijke variant, bijvoorbeeld een uitbreiding in noordwestelijke richting, verder de zee in. Zo'n oplossing zal wel aanmerkelijk duurder uitvallen, want verder in zee betekent dieper water, zodat ze meer zand moeten spuiten. Maar een dergelijke keus is nog niet aan de orde. We moeten eerst de uitkomst van het publieke debat afwachten.”

Mocht die 'nut- en noodzaakdiscussie' ertoe leiden dat het plan voor Maasvlakte II wordt opgeborgen, dan kan Voornes duin zijn status van 'rijkste duingebied' behouden. De heersende biologische diversiteit komt bijvoorbeeld tot uiting in een grote verscheidenheid aan vogelsoorten. Dat zijn er ruim 200, inclusief zomer- en wintergasten. Meer dan de helft valt in de afdeling broedvogels, die het sterkst aan dit biotoop zijn gebonden. Daarvan staan er circa dertig op de rode lijst van bedreigde soorten, waaronder dwergstern, kluut, boomvalk en braamsluiper. Uiterst zeldzaam zijn spotvogel en fluiter, terwijl geelgors en grauwe klauwier in de loop der jaar zijn verdwenen. En wat de flora betreft: op nauwelijks 0,4 promille van Nederlands oppervlak vindt men 620 hogere plantensoorten ofwel 45 procent van het Nederlandse totaal.

Maar het zijn er minder dan vroeger, vertelt opzichter Jan Timmerman, die tot zijn verdriet moet vaststellen dat de brede gentiaan definitief het veld heeft geruimd. Andere bijzondere planten zijn hier bijna uitgestorven, vooral soorten die zich hechten aan vochtige oevers, waaronder zomprus, waterweegbree en het al genoemde teer guichelheil. Ook diverse orchideeën hebben de grootste moeite zich staande te houden waar braam, brandnetel en wilgenroosje nog voortdurend oprukken. Verruiging dus, in hoge mate te wijten aan een continue neerslag van stikstof, zo'n tachtig gram per vierkante meter per jaar, schat Timmerman. “Daarvan profiteren algemene soorten, die de zeldzame verdringen.”

SCHIETWILG

Er zijn echter meer oorzaken van de nivellering. Timmerman: “Ook de eerste Maasvlakte heeft veel kwaad gesticht. Die werpt een barrière op tegen noordwestenwinden, die vaak met stormkracht gepaard gaan, maar hier nauwelijks invloed meer hebben. Vroeger vielen de zoute schuimvlokken tot diep in ons gebied, een weldaad voor de typische duinvegetatie, maar nu blijven ze op de Maasvlakte steken.” De Brielsegatdam, die al in de vroege jaren zestig werd aangelegd, had het contact tussen de noordelijke duinen en zee al verbroken en een baggerdepot onder de naam Slufter met extra hoge ringdijk heeft het nadelige effect daarvan nog versterkt. Toen tien jaar geleden de Voornse zeewering met kunstmatige duinen op deltahoogte werd gebracht, verminderde de invloed van westenwinden.

Er valt ook een gunstig feit te melden. Voornes duin is door de jaren heen gespaard gebleven voor drinkwaterwinning, zodat aan de natuurlijke variatie geen afbreuk werd gedaan door infiltratie van vuil rivierwater. Maar daar staat weer een ongunstige ontwikkeling tegenover, in het bijzonder de bebossing die zich vanaf 1930 tot diep in de jaren vijftig afspeelde. In die tijd werden op ruime schaal Corsicaanse dennen en Canada-populieren aangeplant voor houtproductie alsook ter bescherming van bewoners en tuinderijen tegen de wind. Timmerman: “Niet dat we iets tegen bomen hebben, maar ze mogen niet de overhand krijgen en dat dreigt wel eens te gebeuren. Tot schade van menige duinpoel, die dichtslibt met verzurende stoffen en bladeren van omringend geboomte. Ze verdrijven niet alleen kranswieren en fonteinkruiden, maar ook kikkers, padden en salamanders, die hun broedplaatsen zien verdwijnen.”

Nog is de litanie niet ten einde. Zuidelijk van Voornes duin werd in 1970 het Haringvliet afgesloten, wat betekent dat sindsdien een constante stroom zoet water via sluizen uit het voormalig estuarium naar buiten komt om zich langs de kust naar het noorden te bewegen. Wat daarvan de gevolgen zijn, valt te zien aan de Voornse zeereep, de buitenste duinrand. Timmerman: “De blauwe zeedistel is hierdoor geheel en al weggevaagd, want die kan niet zonder zout en stuivend zand. Daar is de duindoorn, ja zelfs de schietwilg voor in de plaats gekomen.” En dat laatste klinkt ongeveer als een vloek. Wilgen aan zee, dat heeft Thijsse niet meer hoeven meemaken.