Kritische Van Gogh 'morele winnaar' filmfestival

UTRECHT, 5 OKT. Net zoals dat soms in Amerika gebeurt, werden de Grote Prijzen van de Nederlandse Film, beter bekend als de Gouden Kalveren, gisteravond in de Jaarbeurs van Utrecht onder het eten uitgereikt.

Aan een zestigtal tafels waren genodigden van het Nederlands Filmfestival getuige van een ruim drie uur durende ceremonie waarin de film waartegen het afgelopen jaar de minste bezwaren te horen waren, de kinderfilm Lang leve de koningin, geproduceerd door Laurens Geels en Dick Maas en geregisseerd door Esmé Lammers, tot beste lange speelfilm uitgeroepen werd. De voor de producenten bestemde prijs was het derde Kalf voor Maas, het tweede voor Geels.

De morele winnaar was echter Theo van Gogh, regisseur van het zonder subsidie in acht dagen opgenomen Blind Date, dat met drie Kalveren beloond werd: een elk voor de hoofdrolspelers Peer Mascini en Renée Fokker, en de regieprijs voor de nooit eerder in zijn leven bekroonde Van Gogh.

Het 'enfant terrible' van de Nederlandse filmwereld, tegen de kledingvoorschriften in gehuld in een geruiten flanellen jasje, wist wel raad met de hem geboden kans voor open doel om nog eens uit te halen naar het filmestablishment.

Nadat eerder op de avond producent Matthijs van Heyningen de met 50.000 gulden gedoteerde Grolschprijs uitgereikt had aan Johan van der Keuken voor de documentaire Amsterdam, Global Village, stelde spreekstalmeesteres Tineke de Groot Van Heyningen de vraag wat hij nou toch vond van al die bekroningen voor ongesubsidieerde low-budgetfilms: vorig jaar Zusje, nu weer Blind Date. “Och”, antwoordde de Hollandse tycoon, “in het begin van je carrière doe je dat één keer, en dan ga je serieuze films maken”.

Van Gogh repliceerde bij het in ontvangst nemen van zijn eigen prijs dat Van Heyningen eigenlijk nog steeds lowbudgetfilms zou maken, als zijn producentenhonorarium niet zo hoog was, “bestemd om de gracht van zijn kasteel mee uit te baggeren. Maar ja, ik ben vijf keer afgewezen met een project door het Nederlandse Fonds voor de Film, in tegenstelling tot Rob Houwer, die 900.000 gulden ontving voor zijn weerzinwekkende nieuwe film De zeemeerman.”.

Dit vertoon van generositeit over en weer verwijst naar een wel degelijk relevante tegenstelling, die tijdens de 16de editie van het Nederlands Filmfestival meer dan ooit aan het oppervlak kwam: die tussen de gevestigde producenten, die door hun regisseurs verweten wordt dat ze met overheidsgeld mooi weer spelen, en de recentelijk relatief meer succesvolle jonge en onafhankelijke filmmakers, die soms niet eens meer naar het Filmfonds willen toestappen, omdat ze het gevoel hebben daar niet begrepen te worden.

Na afloop stopte de kennelijk voorbereide Filmfondsdirecteur Ryclef Rienstra me een verklaring toe op briefpapier van het Fonds, getiteld: 'De feiten en Theo van Gogh'. Daaruit bleek dat Van Gogh maar vier keer afgewezen was en een keer een project niet afmaakte. “De crux is dat je Van Gogh eerst moet afwijzen, voordat hij een goede film maakt”, lichtte Rienstra daarbij toe.

De andere Kalfwinnaars waren Niek Koppen voor de lange documentaire De slag in de Javazee en Hans Heijnen, die de Speciale Juryprijs kreeg voor drie documentaires. Alex van Warmerdams De jurk kreeg alleen de Prijs van de Nederlandse Filmkritiek.