Inwoners Kabul dromen van vertier

KABUL, 5 OKT. De grote Pul-i-Khishti moskee in het zwaar verwoeste hart van Kabul barstte gisteren bijna uit zijn voegen bij het eerste vrijdagmiddaggebed sinds de verovering van de Afghaanse hoofdstad een week geleden. Niet iedereen knielde echter van harte onder de zwartgeblakerde koepel of op de binnenplaatsen van de moskee, op een steenworp afstand van het smerige riviertje de Kabul.

Enkele straatventers naast de moskee werden eenvoudig van hun handkarren met groente en fruit weggerukt door de nieuwe meesters van Kabul. Over diefstal van hun produkten hoefden ze zich geen zorgen te maken. Wie durft er immers nog een tomaat of een appel te stelen, wanneer daar het afhakken van een hand op staat, zoals het Islamitisch recht in Kabul sinds deze week voorschrijft?

Enkele ongewapende politieagenten, een erfstuk van het vorige bewind, stonden er wat verloren bij. De met geweren uitgeruste Talibaan waren niet van plan de ordebewaking op dit voor hen glorieuze moment aan anderen over te laten. Dat ze zeer hechten aan het gebed in de belangrijkste moskee van de stad, bleek uit het feit dat er ettelijke grote Landrovers voorreden, waaruit prominente Talibaanleiders stapten. Zij aan zij met gewone Talibaan, die meestal hun geweren in de moskee meenamen en drommen gewone burgers deden ze hun gebeden.

Ondanks het zichtbare genoegen dat de Talibaan in dit voor hen zo cruciale ritueel scheppen, zien de meeste inwoners het nieuwe bewind met gemengde gevoelens. In het tot dusverre voor Afghaanse begrippen zeer liberale Kabul hangt eerder een sfeer van bezorgdheid dan van vreugde. Velen, vooral degenen die behoren tot etnische en religieuze minderheden, weigeren nog met buitenlanders te praten uit angst voor moeilijkheden.

Ook zij die wel bereid zijn wat te zeggen, laten niet het achterste van hun tong zien. Ze spreken vooral in lovende bewoordingen over de Talibaan en wijzen op de zonnige kanten van het bewind. “We zijn opgelucht dat de beschietingen op de stad eindelijk zijn gestopt”, zegt een handelaar in ijzerwaren. Hij geeft toe dat hij sinds een week zijn baard laat staan, want de Talibaan zijn allergisch voor geschoren gezichten. In hun ogen is een baardloze man geen goede moslim.

De mensen zijn verder verheugd dat ze niet langer permanent het gevaar lopen te worden beroofd door gewapende aanhangers van de gevluchte president Burhanuddin Rabbani. De Talibaan gedragen zich tot dusver aanmerkelijk gedisciplineerder. Sommige voedselprijzen in de bazars zijn gedaald, wat van levensbelang is voor honderdduizenden arme Kabuli's.

Een andere man, die in een kliniekje werkt, laat zich in een theehuisje ontvallen dat het hem zeer aan het hart gaat dat de Talibaan niet langer populaire muziek op de radio toestaan. “Ik ben gek op onze muziek”, zegt hij verdrietig. “Waarom staan ze dat nou niet meer toe op de radio?”

Die suggestie druist in tegen het puriteinse geloof van de nieuwe machthebbers. Zij zenden liever oproepen uit om in de moskee te gaan bidden. Muziek is strijdig met de Koran, vinden ze.

De talrijke winkeltjes die goedkope cassettebandjes verkochten hebben hun deuren gesloten uit angst voor represailles van de Talibaan. Ook de boekwinkels zijn voor onbepaalde tijd dicht, waardoor het toch al povere culturele leven van de hoofdstad vrijwel de doodsteek heeft gekregen.

Pag.5: Vrouwen alleen nog in spookachtig gewaad op straat

Voor vrouwen in Kabul zijn contacten met vreemden in het openbaar al helemaal niet aan de orde. Slechts een enkele vrouw waagt zich nog op straat en als ze dit al doet, dan uitsluitend in burqha, het spookachtige gewaad dat het gehele lichaam bedekt en slechts via een klein tralievenstertje voor de ogen contact met de buitenwereld toestaat. Alleen meisjes die nog niet in de puberteit zijn, kunnen met onbedekt gezicht over straat gaan. Dat gebeurt dan ook op grote schaal. Veel moeders sturen hun dochters op pad voor boodschappen.

Werkende vrouwen verkeren in grote onzekerheid of ze hun baan kunnen behouden. De regering heeft de meeste vrouwen tot nader order gelast thuis te blijven. Slechts een handjevol heeft toestemming gekregen in ziekenhuizen te werken, maar uitsluitend voor de behandeling van vrouwen. Met spanning wacht Kabul nu af of de vrouw geheel uit het openbare leven zal worden teruggedrongen. Aangezien dat precies is wat de Talibaan op het platteland hebben gedaan, vrezen de meesten in Kabul het ergste. Sommigen putten echter hoop uit enkele uitlatingen van Talibaanleiders dat onderwijs voor vrouwen niet tegen de Koran is en dat buitenshuis werken voor vrouwen niet per se tegen de goddelijke geboden hoeft te zijn.

Hoewel de nieuwe autoriteiten daarover weinig loslaten, zijn er al veel arrestaties verricht onder met name shi'ieten en de aanhangers van president Rabbani. De Talibaan zelf hangen de sunnitische stroming binnen de Islam aan en ze behoren tot de Pathanen, de grootste etnische groep in het land. “De Talibaan zijn in de kern onmiskenbaar een chauvinistische Pathaanse beweging”, aldus een Westerse hulpverlener die zich al jaren met Afghanistan bezighoudt. Iedereen die niet deugt in de kritische ogen van de Talibaan, wordt gemakshalve gebrandmerkt als een communist.

In de Pathaanse gebieden hebben ze de situatie voorlopig geheel onder controle, zonder dat ze daarvoor veel geweld hoeven te gebruiken. Tijdens een reis vanaf de befaamde Khyberpas, de grens met Pakistan, tot Kabul valt op hoe weinig militairen er langs de strategische route zijn geposteerd. De afgelopen jaren wemelde het daar juist van de controleposten van allerlei zwaar bewapende facties.

Slechts op een paar punten langs de tweehonderdvijftig kilometer lange route worden reizigers thans gecontroleerd en moeten ze een geringe tol betalen voor het gebruik van de weg. De behandeling is doorgaans vriendelijk. Alleen mensen die betrapt worden met muziekcassettes of, nog erger, videocassettes, riskeren een stevige reprimande. De tapes worden in beslag genomen en ter plaatse vernietigd.

De meeste Talibaan zijn jonge jongens, die nauwelijks enige opleiding hebben genoten en gewend zijn aan het arme leven op het platteland. Gevraagd hoe ver het rijden is vanaf de grenspost Torkham tot de negentig kilometer verder gelegen stad Jalalabad, antwoordt één van hen opgewekt: “Dat weet ik niet precies, want als wij daarheen gaan, lopen wij altijd.” De meesten weten weinig tot niets van het leven in de stad, laat staan van dat buiten Afghanistan. De nieuwe minister van Landbouw van Afghanistan, die voorheen in het Talibaan-bolwerk Kandahar in het zuiden actief was, kan naar verluidt amper zijn eigen handtekening schrijven. De Talibaan vertegenwoordigen het Afghaanse platteland in al zijn oprechte naïviteit en benepenheid.

Het veel modernere Kabul ziet hun heerschappij zuchtend tegemoet. De bewoners hebben echter één troostende gedachte: ook de Mujahedeen, de anti-communistische strijders die in 1992 triomfantelijk Kabul binnentrokken, waren destijds vastbesloten een streng Islamitische levenswijze aan de hoofdstad op te leggen. Vier jaar later bleek daar betrekkelijk weinig van terecht te zijn gekomen, want de Kabuli's laten zich niet zo gemakkelijk klein krijgen.