Hollands Dagboek

Paula van der Oest (1965) studeerde aan de Nederlandse Film- en Televisieacademie. Ze schreef en regisseerde een aantal tv-produkties, en kreeg voor haar televisiedrama 'Coma' in 1994 een Gouden Kalf. Haar eerste speelfilm 'De Nieuwe Moeder' opende vorige week het Nederlands Film Festival in Utrecht. Paula van der Oest is getrouwd met toneelregisseur Theu Boermans. In het 23-jarig bestaan van het Hollands Dagboek is ze de eerste auteur die tijdens de beschreven week een kind baart.

Woensdag 25 september

De dag van de première. Ik word wakker met een onheilspellend gevoel in keel en voorhoofd. Het zal me toch niet gebeuren dat ik, hoewel mij verzekerd is dat zwangere vrouwen zelden tot nooit ziek worden, hoogzwanger en wel, ziek de première van mijn eerste speelfilm zal moeten beleven. Het lijkt er verdacht veel op. God heeft geen medelijden met mij. En terecht.

Snel naar de vroedvrouw voor waarschijnlijk de een na laatste afspraak. Over ruim een week ben ik immers uitgerekend. Ondanks de opwinding en de griep is mijn bloeddruk gedaald, gelukkig maar. Ik fiets terug naar huis. Een olifant op een fiets. Maar ik kom nog steeds vooruit.

Ik heb mij voorgenomen om vandaag helemaal niets te doen. De afgelopen weken was dat ook al de bedoeling, maar op de een of andere manier is daar in het geheel niets van terecht gekomen. Van die fijne roze wolk waarop zwangeren zweven en die men mij voorspeld had, heb ik dus ook al niets mogen merken. Ik denk dat ik immuun ben voor dat soort dingen. Net als toen ik voor 't eerst hasj rookte: en maar wachten op dat wat ze me beloofd hadden. Het is nooit gekomen. Ik zit erbij en kijk ernaar, en tot op heden is dat niet veranderd. Zou ik daarom misschien films maken?

's Middags verplicht ik mezelf om te gaan slapen. Als een opgewonden kind dat op oudejaarsdag naar bed wordt gestuurd om de lange nacht te kunnen volhouden lig ik te draaien en te malen. Zo'n première blijft spannend, of je wilt of niet. Met name omdat mijn voorgaande films behoorlijk bejubeld zijn. Ik merk dat ik er rekening mee houd dat deze keer mijn kop moet rollen. Wat een onzin ook, ik maak die films toch niet om ermee in de prijzen te vallen. Het enige wat ik kan doen is naar eer en geweten zo goed mogelijk films maken. Daarna houdt het op en moeten anderen er maar mee doen wat ze willen. In mijn buik schopt en golft het. Inderdaad, als dat kind er is, wat kan mij die kritiek dan nog schelen. Ophouden met denken, slapen! De bel gaat. Ik spring uit bed. Het Journaal. Niet slapen dus. Het spijt me, kind in mijn buik, het andere kindje gaat even voor. Opeens visioenen van de komende vijftien jaar: dat zal nog een strijd worden tussen die twee. Ik schiet een jas aan en ga mee de straat op voor een kort interview.

Thuis gekomen is het alweer bijna tijd om naar Utrecht te vertrekken. De Letse Arys, die de rol van Elvis speelt, is daar sinds gisteren met zijn vader. We willen nog even met ze eten. Theu en ik halen mijn vaste cameravrouw Brigit op en belanden in een file van de ringweg tot aan Breukelen. In Utrecht aangekomen zitten vader en zoon braaf gelaten, al sinds een uur op een bankje voor het hotel te wachten. Arys draagt een aandoenlijke smoking. Hij maakt zich zorgen over het strikje wat steeds scheefzakt. Arys' vader was van plan naar een orgelconcert te gaan die dag. Ik vraag hoe het was geweest. Hij kijkt naar zijn zoon en zegt: we only went to the shops.

Eten lukt niet echt meer, we werken wat naar binnen in een zelfbedieningsrestaurant naast het Congresgebouw. René Scholten komt binnenhollen en eet haastig de restjes van mijn bord, niet omdat hij zo'n zuinige producent is maar omdat ook hij in de file zat en we gefilmd moeten worden door Filmspot. Monique, de doortastende publiciteitsagente neemt de laatste dingen met ons door. Ze vraagt: heb je het gehoord van de ramp met die Dakota? Verschrikkelijk hè, de helft van de televisieploegen is afgereisd naar Den Helder. Ik weet niet zeker wat er het verschrikkelijkst is, het eerste of het laatste, ik vrees het ergste. We gaan het Congresgebouw in. Ik moet voorop met de kleine Arys.

Vanaf dat moment: mensen, mensen, mensen, televisiecamera's, gesprekken van twee zinnen, mensen, mensen, mensen. Dan begint het eindelijk. Na het uitreiken van de eerste kalveren en de voorfilm wordt het zwart en verschijnen de eerste beelden van mijn film. Ik vind het doek te klein, het geluid te zacht, de schnitts te laat, ik knijp Theu's hand blauw. Na tien minuten sluip ik naar buiten om twee interviews te doen. Als ik terugkeer in de zaal is het bij de dansscène, bijna aan het einde van de film. Tot mijn ontzetting beginnen er mensen te lachen. Na tien vreselijke seconden realiseer ik me dat het niet zozeer spot is als gêne, men weet zich geen raad met deze scène. En vind ik het lachen zelfs niet erg meer. Die gêne klopt immers, en ik wist dat dit een omstreden scène zou worden. Goed bovendien dat ik de film drie weken geleden in Venetië op de Biënnale ook al met publiek had gezien, ter relativering. Met name bij deze scène kon je in de zaal een speld horen vallen (als daar niet het Zwanenmeer geklonken had), en aan het eind van de vertoning was iedereen in tranen. De Hollandse nuchterheid en de behoefte altijd alles te ironiseren versus het Italiaanse gevoel voor melodrama.

Na afloop blijkt de dansscène de gemoederen inderdaad bezig te houden. Natuurlijk krijg ik als regisseur alleen te maken met de mensen die de film prachtig of op zijn minst aardig vonden en lopen degenen die hem niets vonden met een boog om me heen, maar toch leken over het algemeen de reacties behoorlijk goed. Ik spreek vierhonderd mensen (niet) en sta te tollen op mijn benen. Veel te laat, om half vier, rol ik uiteindelijk in bed.

Donderdag

Theu vertrekt naar Maastricht: toneelgroep De Trust heeft daar morgenavond première met het stuk 'Mijn hondemond' van de overleden Oostenrijkse schrijver Schwab. De acteurs hebben gisteravond de tweede try-out zonder hun regisseur moeten doen, want die wilde bij mijn première zijn.

De mobiele telefoon zit in mijn tas, al weken lang, voor het geval dat, en hij halsoverkop terug moet naar Amsterdam. Maar tot nu toe is het goed gegaan, en het zou toch wel sterk zijn als die kleine nu niet ook nog die twee laatste dagen even af zou wachten.

Om half twaalf hebben Brigit Hillenius en ik een interview met Het Parool, over onze samenwerking. Daarna samen op de foto, alletwee met dikke buiken, want ook Brigit is zwanger. Als dat niet het ultieme bewijs van onze samenwerking is. Daarna terug naar huis, om weer een vergeefse poging tot rusten te doen.

's Avonds op het Filmfestival de première van mijn tweede film: het single-play 'Altijd yours/Voor never'. Dit keer zit ik de hele vertoning uit. Weer de kwelling: geluid slecht, kopie te bleek, maar omdat er veel gelachen wordt, raak ik over mijn zenuwen heen. Wat kan Rick toch mooi tragisch kijken. Ik merk al dat deze film veel minder omstreden is dan 'De nieuwe moeder', mensen zeggen na afloop zonder terughoudendheid dat ze het een leuke film vinden. Na het toespraakje van Burny, de producent, is er een borrel in het Polmanshuis. Een teleurgestelde figurant uit Twente komt naar me toe, prachtig in pak. Waarom zijn scène verdwenen was uit de film, hij had speciaal vrij genomen vanavond. Ik ga door de grond. Vergeten te bellen, onvergeeflijk.

We moeten rennen naar de Winkel van Sinkel. Rick Nicolet en Rob van de Meeberg, die de hoofdrollen spelen in 'Altijd yours', Geert de Jong en ik zitten in de talkshow bij Philip Freriks. We babbelen wat, een prettig gesprek, en ik denk al, wanneer komt-ie, als Philip Freriks vraagt: Paula, die dansscène... Arme Geert, die zich vol vertrouwen in die scène heeft gestort omdat ik haar ervan wist te overtuigen, dat is nu het bange lot van de acteur. Ik waardeer het dat ze nog steeds achter de scène blijft staan.

En daar ga ik weer, met mijn uitleg: deze twee mensen zijn ingehaald door het verleden, ze kunnen nooit meer samenkomen, zeker niet na wat er net in de film is gebeurd, dat kan nog maar op één manier, namelijk in de verbeelding, daarvoor is die dans, die ontstijgt het niveau van de werkelijkheid, wie dat niet zo wil zien, die ziet het maar niet zo, maar zo is die bedoeld.

Moe ben ik, doodmoe. Ik wil naar huis. Om één uur lig ik in bed, ik heb koorts.

Vrijdag

's Nachts om drie uur gaat de telefoon: Theu, voor het dagelijkse nachtelijke telefoontje. Hij zegt dat het nu eindelijk wat begint te worden met de voorstelling. Morgen nog één dag hard werken, dan 's avonds de première. We hangen op.

Vier uur later word ik wakker en realiseer me met een schok dat m'n vliezen gebroken zijn. Hoe is het in godsnaam mogelijk om te bevallen als je je zo bedonderd voelt, ik gloei en heb een hoofd vol watten, ik dacht dat de natuur dat soort dingen niet deed. Ik sta te trillen op mijn benen. Ik ren de trap op naar Theo, de bovenbuurman, die eveneens uit bed springt. Vervolgens moet ik weer gaan liggen, want het kind is nog niet ingedaald en dan dreigen er allerlei vreselijke gevaren. Theo belt de vroedvrouw en ik mijn man. De mobiele telefoon geeft geen aansluiting. Paniek, ik heb geen ander nummer om hem 's nachts te bereiken. Gelukkig blijkt het ding toch te hebben gewerkt, na tien minuten gaat de telefoon. Ik zeg: ik vind het zo erg voor je, mijn twee premières heeft hij wel afgewacht en die van jou niet. Theu zegt dat hij in de auto stapt.

Dan volgt er een etmaal dat begint met euforie, die echter langzaam maar zeker naarmate de uren verstrijken, overgaat in een alsmaar moedelozer gevoel omdat de ontsluitingsweeën niet vorderen. Samen met Theu, die elke wee meedoet, adem ik me suf volgens de methode-Cilly, de fantastische yogajuf, en dat helpt wel om het vol te houden. Maar het schiet niet op. Ergens op die vrijdagmiddag denk ik nog: ik mis de bijeenkomst van de Vereniging van Nieuwe Film- en televisiemakers, wat jammer nou, en: ik ben vergeten af te bellen.

Zaterdag

Een eeuw later, om acht uur de volgende ochtend, besluiten we naar het ziekenhuis te gaan. De dag die volgt lijkt een vreemde droom. Ik krijg een infuus om de weeën op te wekken, ze draaien de knop met oxytocine steeds verder open, het lijkt wel een moderne martelmethode. Maar onder aanmoediging van mijn man die steeds bleker wordt blijf ik ademen en zuchten volgens de methode-Cilly en houd verder mijn mond, ooit moet het toch ophouden. Nadat ze me een verdoezelend middeltje hebben toegediend begin ik tussen de weeën in slaap te vallen en wartaal uit te slaan, ik bevind me op een filmset, praat tegen mensen, doe mijn ogen open en zie vroedvrouwen en realiseer me dat ik rare dingen zeg, ik ben blijkbaar gedrogeerd. Ik zie mezelf liggen temidden van het circus en denk: houdt het dan nooit op, het erbij staan en ernaar kijken? Ik concludeer nog net niet: daarom maak ik blijkbaar films, films kunnen mij hoegenaamd niets meer schelen, ik wil alleen nog maar dat dat kind eruit komt.

Om tien over vier die zaterdagmiddag pers ik met mijn allerlaatste krachten een dood kalfje naar buiten. Verdwaasd kijk ik in de spiegel onder me. Het ontgaat me even dat ze het kleine mensje leegzuigen en tot leven kloppen, maar dan zegt Theu tegen me: het is een jongetje, en houd ik een warm bundeltje in mijn armen. Thijs Johannes, vijf minuten oud.

Anderhalf uur later is de verloskamer vol met mensen die zich niet meer konden bedwingen: mijn zusje, Theo, Brigit en haar vriend, en even later ook mijn dodelijk ongeruste ouders. Het is net een receptie. In het ziekenhuis vinden ze het allemaal goed, maar na twee uur komen ze me toch ophalen. Ik moet nog 24 uur blijven. Ik vind het best, ik wil alleen maar slapen, slapen, slapen.

Zondag

Wakker geworden met naast me mijn zoon. Hevig geroerd een uur naar hem liggen kijken. Het is waar, alle clichés zijn waar, ik ben nu al verloren, van dit mens ga ik onvoorwaardelijk en voor eeuwig houden. Het is niet anders.

's Middags worden we ontslagen uit het ziekenhuis. Met Theu en diens zoon Bobby, vijftien jaar oud, rijden we naar huis. Bobby valt naast Thijs op bed in slaap.

Maandag

Eindelijk heb ik eens iets in mijn leven gedaan dat zwaar genoeg bevonden is om recht te hebben op uitrusten en verzorgd te worden. Ik lig op bed, doe helemaal niets en laat me alles welgevallen. Ik ben nog steeds verliefd. Het leven bestaat uit voeden, slapen, liggen, niets doen. Vroeger zou me dat een gruwel hebben geleken, maar nu niet meer. Integendeel.

Dinsdag

Een beetje bezoek, en één klein interview, de voortvarende publiciteitsagente kon het niet laten, met Gerdin Linthorst van de Volkskrant. Thijs zet een keel op en maakt er vroegtijdig een eind aan. Hij moet met mij op de foto. Dat zullen hem niet veel mensen nadoen: na vier dagen al groot in de krant. Maar wel huilend.

Woensdag 2 oktober

Toch alweer de halve dag achter de computer gezeten in verband met dit dagboek. Het moet toch af... 's Avonds de eerste recensie van 'De Nieuwe Moeder', in deze krant. Zo mooi zal ik ze wel niet vaak meer krijgen, ik geloof bijna niet wat ik lees. Wat een opluchting. Het Parool daarentegen moet er niet veel van hebben. Die recensie eindigt met een laag bij de grondse uithaal naar nog wel mijn eigen man, over zijn rol-met-aanplakbaard. Ik schreef al: dat is het bange lot van de acteur. Ik heb liever dat ze in zo'n geval de verantwoordelijke, namelijk de regisseur aanvallen. Te laat, het kwaad is reeds geschied.

's Nachts hoor ik dat 'De Nieuwe Moeder' geheel gepasseerd is voor de nominaties voor de gouden kalveren. Ik haal me de gezichten van de jury voor de geest en denk er het mijne van. Mijn vermoeden is dus toch bewaarheid: mijn kop stak te hoog boven het maaiveld.

Ach wat, ik ga mijn eigen kleine gouden kalf de borst geven.