Het bedrieglijke straatbeeld van Sarajevo; Lang met een kopje koffie doen

In Sarajevo gaat de ene na de andere nieuwe winkel open en de cafés zijn vol. Maar werk is er nog nauwelijks te vinden, en buitenlandse bedrijven investeren niet. De cosmopolitische stad van voorheen is een dorp geworden. De wederopbouw van Sarajevo: zakken vullen en wegwezen, of aanpassen en wachten tot het beter wordt.

Mustafa (27), leren jas, Levis 501, Nike Air gymschoenen, begroet de portier met een omhelzing. Hij loopt, hier en daar handen schuddend, de trap af. In de rokerige ruimte beneden zitten jongens en meisjes aan tafeltjes, of ze heupwiegen aan de rand van de dansvloer voorzichtig op house- en rapmuziek. Op vrijdagavond is discotheek BB in Sarajevo de place to be. Zwaar opgemaakte meisjes dragen strakke truitjes en jeans. Hier en daar worden jongens in rolstoelen door hun vrienden liefdevol heen en weer gereden.

Davor (24) komt wat later binnen. Hij moest de auto nog parkeren, een gloednieuwe gepantserde Mercedes. De auto is niet van hem, maar Davor is wel rijk. Als chauffeur bij de Duitse ambassade verdient hij 1200 Duitse Mark per maand. Zijn vriend Mustafa, die een vrouw en een kind moet onderhouden, verdient als politieman slechts 200 Mark. “Die leren jas heeft hij gekregen van zijn broer in Duitsland”, legt Davor uit “en die Nike Air gymschoenen, heeft hij van zijn andere broer in Amerika.” Mustafa bestelt die avond geen drankje.

Jonge mensen in Sarajevo willen wat zij noemen: een 'normaal leven leiden'. Dat is: uitgaan met vrienden, kleding kopen en op vakantie gaan. Over 'later' wordt niet nagedacht, nu 'normaal leven' kost al moeite genoeg. Want na vier jaar te zijn omsingeld en beschoten door de Bosnische Serviërs hebben de meeste inwoners van de stad geen werk en zij die wel een baan vonden verdienen gemiddeld niet meer dan 200 Mark per maand. De industrie in de stad is vrijwel geheel vernietigd, de pensioenfondsen en de sociale verzekeringkassen zijn leeg. Sarajevo is bovendien volgestroomd met moslims die elders uit Bosnië zijn verjaagd en niets meer bezitten. Driekwart van de ca 350.000 inwoners van de stad is nog afhankelijk van voedselhulp.

En toch wordt in de stad de ene na de andere nieuwe winkel geopend en zijn de donkere straten van Sarajevo 's avonds gevuld met naar de laatste mode geklede drommen jonge mensen. De talloze cafés in de stad, waar een harde disco-dreun ieder gesprek onmogelijk maakt, zitten iedere dag en avond vol. “De meesten doen heel lang met één kopje koffie”, zegt Michael Koch, econoom bij de Wereldbank. Veel bewoners van Sarajevo hebben familieleden in het buitenland die geld opsturen. Sommigen krijgen als ex-gastarbeider zelf iedere maand nog een toelage of zijn teruggekeerd uit het buitenland met wat gespaard eigen geld.

Ex-soldaat Hasan (24) kreeg voorrang bij het krijgen van een taxi-vergunning omdat hij tijdens de oorlog gewond raakte. Nu verdient hij als taxichauffeur 800 Duitse Mark per maand. “Alles wat ik 's middags verdien, geef ik 's avonds uit. Ik spaar niks”, zegt hij. “Ik sta op wanneer ik wil, werk wanneer ik wil, ik heb geen baas die mij zegt wat ik moet doen.” Genoeg geld hebben en lol hebben met zijn vrienden, dat zijn de dingen die Hasan, inmiddels gerevalideerd, het belangrijkst vindt. En de toekomst? “Geen idee. Ik maak geen lange termijn-planning.”

Vier borden

De economie van Sarajevo steunt grotendeels op de vele internationale organisaties die zich er tijdens en na de oorlog hebben gevestigd. De ca 9000 buitenlanders die als werknemer van de VN, IFOR, een ambassade of een Non Gouvermentele Organisatie (NGO) in Sarajevo verblijven, besteden in de stad maandelijks rond de 27 miljoen Duitse mark. “Dankzij hen draaien de restaurants, de cafés, de Levi's en de Benetton-winkels”, zegt econoom Koch. De internationale organisaties zijn ook werkgevers: ze hebben allemaal chauffeurs, tolken en secretaresses nodig, die ze zoeken onder de plaatselijke bevolking omdat dat het goedkoopst is.

“Het vrolijke en bedrijvige straatbeeld in het centrum van de stad bedriegt”, zegt Laura Jennings, medewerkster van het World Food Program (WFP), de humanitaire organisatie die driekwart van de bevolking van Sarajevo voedt. “Je moet achter de deuren kijken om te zien hoe er wordt gevochten om te overleven.” Maandelijks krijgen 238.000 mensen in Sarajevo ieder 12 kilo bloem, een liter olie, bonen en een halve kilo suiker. Vooral de alleenstaande moeders, invaliden, zieken en ouderen zijn daarvan volgens Jennings nog volstrekt afhankelijk.

Zijada (35) en Sejfo (45) Efendic moesten deze maand 100 Mark betalen voor een telefoonaansluiting en ze hebben vier nieuwe borden gekocht. Daarmee is het maandelijkse budget voor 'extra's' alweer ruim overschreden. Maar speciaal voor de gast is er kip met aardappelen, en witte wijn die door Sejfo met een elegante zwaai wordt ontkurkt. In zijn eigen glas lengt hij de wijn aan met mineraalwater.

Ze wonen sinds een paar maanden in Dobrinja, een kapotgeschoten buitenwijk van Sarajevo waar vroeger vooral Serviërs woonden, maar waar tegenwoordig moslim-vluchtelingen uit heel Bosnië zijn neergestreken. Sejfo vluchtte in juni 1992 met een konvooi vanuit het Servische Pale naar Sarajevo. Daar ontmoette hij Zijada. Ze trouwden tijdens de oorlog. Net als honderdduizenden andere families in Bosnië, wonen Sejfo en Zijada in een appartement dat niet van hen is. De kasten, de bank, de tafel en de stoelen zijn van een Servische familie die Dobrinja is ontvlucht nadat de wijk begin dit jaar door het verdrag van Dayton werd toegewezen aan de Bosnische regering. Alleen de kachel brachten ze zelf mee. “De foto's en de boeken die we hier aantroffen, hebben we in een la gestopt”, zegt Sejfo.

Met de 360 Duitse Mark die ze nu samen verdienen, hij als electro-ingenieur, zij als kleuterleidster, hebben ze volgens Zijada “net genoeg om te overleven”. Ze gaan alleen bij hoge uitzondering uit, hebben geen geld voor kleding of schoenen, laat staan voor enig luxe-produkt. Zijada draagt haar kleren van voor de oorlog, zijn blauwe trui kreeg Sejfo tijdens de oorlog in ruil voor sigaretten.

Zijada laat foto's van zichzelf als soldaat in het Bosnische leger zien: een vrouw met felrood gestifte lippen in groen uniform houdt een mitrailleur vast. Op een andere foto heeft ze een landmijn in haar armen. Ze wil niet meer aan die tijd denken. “Er werd op mij gejaagd als op wild.” Ze werd beschoten door een sluipschutter. Sejfo legt een kogel op tafel. “Hier ben ik in 1993 door geraakt”, zegt hij. “Ik lag te slapen, tot er plotseling kogels door mijn kamer vlogen.” Hij werd in zijn been getroffen. Zijada zegt: “Misschien hadden we op tijd weg moeten gaan. Maar ik ben hier geboren - ik wil hier een normaal leven leiden.”

“Ik kijk nooit naar afkomst of religie”, zegt Sejfo “Het moet mogelijk zijn om samen te leven. Maar we hebben niet allemaal evenveel schuld aan de oorlog. Wij zijn aangevallen, dat is belangrijk.” Dan zegt hij: “Ik weet niet hoe het verder moet.” Bosnië moet volgens het verdrag van 'Dayton' worden bestuurd door de drie presidenten die bij de verkiezingen van 14 september zijn gekozen: de Kroaat Kresimir Zubak, de Serviër Momcilo Krajisjnik en de moslim Alija Izetbegovic. Nog maar een jaar geleden voerden ze het bevel over de Kroatische, Servische en moslim-legers die vier jaar lang tegen elkaar vochten. “Ik denk niet dat ze het over iets eens zullen worden”, zegt Sejfo. “Welk land wordt er nu bestuurd door drie presidenten? Die drie-eenheid werkt alleen in de bijbel.” Toch hoopt Sejfo dat “die drie mannen iets regelen'. “De hoofdzaak is dat dit huis niet van mij is.”

Sancties

“De toekomst van Bosnië ziet er somber uit”, zegt Sir Terence Clark, directeur van de International Crisis Group (ICG), een non-gouvernementele organisatie die toeziet op de implementatie van het Dayton-akkoord in Bosnië. Gevreesd wordt dat de 'Servische Republiek' en het zuidelijke, Kroatische deel van Bosnië zich zullen afscheiden. Niemand weet wat er dan met Centraal-Bosnië zal gebeuren. Clark: “Het grootste obstakel wordt gevormd door de oorlogsmisdadigers. Zij oefenen nog steeds invloed uit op de regering. Zolang zij er zijn, zal er niets veranderen.” Maar ook als ze worden verwijderd zullen de gezamenlijke instituties van moslims, Kroaten en Serviërs volgens Clark zwak blijven. “De Serviërs durven niet eens naar Sarajevo te komen om te vergaderen. Zonder de dwang van de internationale gemeenschap overleeft Bosnië niet als land. Wij moeten ervoor zorgen dat de oorlogsmisdadigers worden gearresteerd, dat de vluchtelingen naar huis kunnen, dat er persvrijheid en oppositie komt.”

Nog steeds hebben veel inwoners van Sarajevo het gevoel dat wat zij ook doen, hun lot uiteindelijk toch van anderen afhankelijk is. Van de Amerikaanse president Clinton bijvoorbeeld, die aan het eind van dit jaar moet besluiten of de Amerikaanse IFOR-troepen in Bosnië zullen blijven. Of van de presidenten van Servië en Kroatië, Milosevic en Tudjman, die op afstand beslissingen nemen voor de Servische en Kroatische leiders in Bosnië.

Clark: “De Kroaten of de Serviërs zullen niet opstaan en zeggen: wij willen bij Bosnië horen. Wij moeten eerst zorgen dat daarvoor de condities worden geschapen. We moeten de leiders in Bosnië dwingen om het land samen te besturen.” Daarom hadden de verkiezingen in Bosnië ook moeten worden uitgesteld, meent Clark. Volgens het verdrag van Dayton konden de sancties tegen de Joegoslavische president Milosevic na de verkiezingen worden opgeheven. “Nu dat is gebeurd, zijn we ons laatste drukmiddel kwijt.”

Buitenlandse bedrijven zijn vooralsnog dan ook huiverig om serieus in Bosnië te investeren. En de zakenmensen in Sarajevo, die willen vooral snel geld verdienen. De meeste bedrijven in Sarajevo zijn handelsbedrijven die kopen, verkopen en snel hun winstpercentages incasseren. Van lange termijn-investeringen wordt afgezien. In de winkeletalages zijn de meest uiteenlopende produkten naast elkaar uitgestald: scheermesjes naast damesschoenen, naast shampoo, naast overhemden.

Zakendoen in Bosnië beperkt zich tot het principe van: 'you have money, give it to me', zegt een Britse ondernemer die in Bosnië landrovers verhuurt. “Aan het verlenen van service is men hier niet gewend.” De meeste bedrijven in Sarajevo verkopen produkten zonder er iets aan toe te voegen. “En toegevoegde waarde is toch essentieel voor de opbouw van de economie”, zegt een organisatie-adviseur. Hij is in opdracht van het Nederlandse ministerie van Econonomische Zaken in Sarajevo om de export en investeringen te bevorderen. “Zaken doen heeft hier nog sterk het karakter van zakken vullen en wegwezen.”

Veel ondernemingen in Sarajevo zijn opgezet met geld dat tijdens de oorlog snel is verdiend. Zwarthandelaren hebben tijdens de oorlog fortuin gemaakt met handel in produkten als koffie en suiker die per kilo 100 Duitse Mark opbrachten. De glimmende BMW's met een nummerbord van Sarajevo die door de stad scheuren zijn meestal van hen. Emir (30), de breed geschouderde eigenaar van sandwichshop Babaloo, de favoriete 'hang out' van VN- en ander personeel van internationale organisaties in Sarajevo, vindt de vraag hoe hij zijn café heeft gefinancierd 'belachelijk'. Tijdens de oorlog zat hij in een “speciale eenheid” van het leger, meer wil hij daar niet over kwijt. Het geld voor de sandwichshop heeft hij geleend, zegt hij. De vraag 'van wie?' gaat vervolgens echt te ver. Hij staat op, loopt weg, om later te zeggen: “Bent u helemaal gek? Je vraagt toch ook niet: 'heeft u wel eens iemand vermoord voor geld?' ”

Dorp

'Baby, are you gonna be the one that saves me' zingen de fotomodellen van modellenbureau 'Front'. Ieder weekend oefenen zij hun pasjes in een zaaltje van café HRS. Niet omdat ze daar iets mee verdienen, maar om even te zijn wat ze altijd al wilden worden: model. Meisjes met leren laarzen tot aan hun knieën, mini-overgooiers en half-lange zwarte leren jassen komen een voor een binnen. Steeds als een nieuw meisje arriveert, slaken de anderen gilletjes en becommentariëren ze haar kleding. De elektriciteit is uitgevallen, dus de modellen moeten vandaag oefenen zonder muziek. Twee aan twee lopen ze heen en weer. Ze zijn zo getraind dat ze zich gelijk omdraaien en met hun voeten precies dezelfde pasjes maken. Soms applaudisseren ze voor elkaar.

“Ze moeten dun en lang zijn, dat is het belangrijkste. En aan hoe ze lopen zie ik meteen of ze geschikt zijn”, zegt de eigenares van het bureau, Sandra (24), 1,85 en donkerblond lang haar tot aan haar middel. Zij liet de kans om Sarajevo te verlaten en als model carrière te maken, schieten. Vlak nadat de Bosnische Serviërs in april 1992 de eerste barricade rond Sarajevo hadden opgeworpen, was ze op uitnodiging van het hoofd van een modellenbureau in de Servische hoofdstad Belgrado. “Hij vroeg of ik model wilde worden, en ik zei ja. Hij zei dat ik dan eerst weg moest uit Sarajevo. De oorlog zou daar verschrikkelijk worden. Ik zei: 'hoe durven jullie de stad te omsingelen?' Hij antwoordde: 'moeten we dan wachten tot ze ons vermoorden?' ” Sandra besloot terug te gaan naar Sarajevo. “Hij belde nog een keer, zei dat hij een vliegtuig zou sturen om mij op te halen.” Maar ze weigerde. “Soms denk ik: was ik toch maar weggegaan”, zegt ze nu.

Maandenlang verdient 'Front' helemaal niets, soms komt er een opdracht. “Als ik aan bedrijven vraag: 'willen jullie een modeshow?' zeggen ze meteen ja. Maar als ik zeg dat het 50 Mark kost, zeggen ze: 'huh? moeten we daarvoor dan betalen?” Van het cosmopoliete Sarajevo van voor de oorlog is niet veel over, zegt Sandra. Kunstenaars, intellectuelen en filmmakers gingen weg, gevluchte boeren kwamen voor hen in de plaats. “Sarajevo is een stad, maar ook een dorp. Veel mensen hebben vooroordelen tegen modellen. Ze denken dat vrouwen die willen laten zien dat ze mooi zijn hoeren zijn.” Er is vrijwel geen mode-industrie in Sarajevo. De laatste opdracht voor een modeshow kwam van een bedrijf dat handelt in door vrouwen uit Srebrenica gebreide en met de hand gemaakte kleding. “Toen ik de modellen over die opdracht vertelde, zeiden ze: 'oh nee toch'. Maar het viel mee. Er waren zelfs dingen bij die ik zelf ook zou dragen.”

Drie klokken

Ook voor Alma Tokic, econoom en vroeger bedrijfleidster van beroep, is overleven in Sarajevo aanpassen en wachten tot het beter wordt. Met haar Catherine Deneuve-achtige dikke blonde haar en bruine intelligente ogen ziet zij er wat te chique uit voor de illegale straathandel. Maar ze kan niet anders, het bedrijf waar zij werkte bestaat niet meer. Ook de zaak van haar man ging tijdens de oorlog failliet. Dagelijks koopt ze voor ongeveer 30 Duitse Mark aan sigaretten van smokkelaars die importeren uit de 'Servische Republiek'.

Haar leveranciers maken deel uit van een “zeer goed georganiseerde mafia van zwarthandelaren”, vermoedt Alma. Ze staat in een portiek en verkoopt de sigaretten aan voorbijgangers in de grootste winkelstraat van Sarajevo - half verscholen in haar bruine regenjas, want de politie ligt op de loer. Haar handeltje levert haar rond de 500 Mark per maand op, genoeg om haar man en twee kinderen van te onderhouden. “Vergeleken met hoe het was tijdens de oorlog, leven we nu heel goed”, zegt ze. “Maar het is geen normaal leven. Ik kan mijzelf niet vergelijken met een vrouw in het westen die nieuwe kleding en parfum kan kopen.” Wordt het beter? Ze haalt haar schouders op. 'Misschien', zegt ze.

Er is vrede, de winkels zijn open en de cafés zijn vol. Maar de na-oorlogse sfeer in Sarajevo is niet zo romantisch als het op het eerste gezicht misschien wel lijkt, zegt de Brit Morgan Sowden (28), manager van het in juli geopende Internet Café in de stad. “De meeste mensen zijn hier maar met één ding bezig: veel en snel geld verdienen.” Hij opende het Internet Café omdat een vriend van hem een erfenis had gekregen en niet wist wat hij met het geld moest doen. Morgan had het niet verwacht, maar het café begint al bijna met winst te draaien. Dat is te danken aan de vele buitenlanders die het café bezoeken. Gisteren nog, was er een privé-feestje van de Amerikaanse ambassade. “Er waren diplomaten en secretaresses, ze zijn vreselijk dronken geworden. Ik heb gezien hoe ze elkaar in donkere hoekjes aan het kussen waren”, zegt Morgan met een besmuikt lachje.

Hij wilde boven de bar eerst drie klokken ophangen die dezelfde tijd aangeven met daaronder de namen van de Servische, Kroatische en Bosnische hoofdsteden Belgrado, Zagreb en Sarajevo, maar dat werd hem afgeraden. “Mij is verteld dat dat te politiek was”, zegt hij. Nu heeft hij een kunstenaar in de arm genomen die boven de bar het portret gaat schilderen van de Chinese communistische leider Mao Zedong met Mickey-Mouse oren aan zijn hoofd. “En daaronder komt 'Mickey Mao' te staan.” Zijn café mag bij buitenlanders dan de reputatie hebben de hipste plaats van de stad te zijn, Sarajevo is niet zo cool als Morgan had verwacht. Over een paar maanden hoopt hij de bedrijfsvoering aan iemand anders te kunnen overlaten en te verhuizen naar het volgens hem veel interessantere Praag. “Om je de waarheid te zeggen: ik vind het saai in Sarajevo. Er gebeurt niet veel. Iedereen met een beetje ondernemingslust heeft de stad allang verlaten.”

Internet-adres van het Internet Café: Web: WWW.SCNM.ORG