Goed nieuws beweegt zelden

Dieren zijn altijd bezig, altijd druk in de weer. Tenminste, dat denken wij. En dat wij dat denken komt door de natuurfilms. Zo luidde de stelling van bioloog Midas Dekker afgelopen zondag in zijn gesproken column voor het Vara radioprogramma Vroege Vogels. Brulapen brullen, slingerapen slingeren, kameleons verschieten van kleur en mieren zeulen rond met eieren. Dat gaat de hele dag maar door.

De enigen die wel beter weten zijn de natuurfilmers, legde Midas Dekker uit, want die moeten uren, dagen, weken loeren en wachten voor er iets te filmen valt. Film moet het hebben van beweging en zolang een dier niks doet is het voor een film niet interessant en staat ook de camera stil. En heel vaak doet een dier niks, zelfs de nijvere bijen nemen geregeld rust. Vogels vliegen wel af en aan met voedsel voor hun jongen, maar niet in augustus, september, oktober, november, december, januari en maart.

Ach, het was een prachtige tekst, die ik met deze weergave zeer te kort doe en die uitliep op een betoog dat mensen er verstandig aan zouden doen ook eens wat minder druk bezig te zijn.

Maar je zou de redenering van Midas Dekker ook kunnen zien als het zoveelste voorbeeld van de vertekening van de werkelijkheid in de media. Men geeft geen objectieve feiten weer, laat staan de waarheid, maar een eenzijdige selectie van wat interessant is omdat het emoties oproept. De rest blijft buiten beeld. Alleen wat beweegt, al is dat maar een fractie van wat een dierenleven inhoudt. Goed nieuws beweegt ook zelden.

De werkelijkheid en de media. Het blijft tobben. Naar aanleiding van muziekrecensies heb ik daar al eens vaker over geschreven. Hoe je als je die van verschillende kranten vergelijkt, soms geen idee hebt wie je nu moet geloven. Natuurlijk bestaan er smaakverschillen, waardoor bepaalde interpretaties de een wel en de ander niet aanspreken. Maar daarnaast zijn er toch ook objectief waarneembare geluidsprikkels als vals of zuiver, vlug of langzaam, gelijk of uit de maat, hoog of laag, warm of schril van klank. Toch horen muziekrecensenten soms gans verschillende feitelijkheden bij eenzelfde uitvoering.

Neem nu het recital van Jessey Norman vorige week maandag in het Concertgebouw. Ik was daar niet, maar las erover in twee kranten. Ik zie daarbij af van interpretatieverschillen. Als Kasper Jansen in deze krant over de Mörike-liederen van Wolf schrijft “zoals zij zingt, zo moet het” en Erik Voermans van Het Parool vindt dat “die een grotere wendbaarheid verlangen dan het logge instrument dat de stersopraan van nature heeft”, kan ik dat begrijpen als verschil in smaak. Maar hoe valt het te rijmen als in NRC Handelsblad staat: “Norman stak in voortreffelijke vorm, zodat alles volstrekt moeiteloos klonk, voor ons èn haar eigen plezier” en in Het Parool: “[...] dat de stersopraan structureel met alarmerende intonatieproblemen te kampen heeft (ze zong gisteren vrijwel continu te laag) en dat het ventiel van haar borstplaat lekte, waardoor zij de lucht schuin achter heur huig plaatste en de toon ging schuiven.” Het Brahmslied 'O komme, holde Sommernacht' etaleerde volgens NRC Handelsblad “al meteen, de hoogte, breedte, diepte en kleurvariëteit van haar stem imposant”. Het Parool telde daarin echter “vele valse noten”, en in 'Feldeinsamkeit' “tweemaal een valse dubbelslag”.

Objectieve waarneming van zelfs de feitelijkste prikkels bestaat niet, maar gaat door de selectieve zeef van affiniteit en emotie. Dat geldt ook voor de journalistiek. En de meeste mensen lezen nu eenmaal maar één krant.

Eric Voermans voegde nog een ander element aan zijn recensie toe: het kritiekloze gedrag van het publiek dat voor alles applaudiseert. Dat verbaast en ergert mij ook iedere keer als ik het meemaak. Vooral operapubliek maakt zich in dit opzicht vaak belachelijk. Ongeacht de uitvoering krijgen de zangers onmiddellijk een staande ovatie. Je wordt gedwongen mee te gaan staan, want wie blijft zitten komt in een donker en onaangenaam woud van benen en achterwerken terecht. Het zou aardig zijn met behulp van applausmachines eens te meten welke variatiebreedte het publiek in haar waardering van de diverse uitvoeringen laat blijken. Ik voorspel dat die klein is.

Al dat harde geklap, bonkige bravogeroep en onbehouwen gesmijt met bloemen vanuit de zaal doet ook gemaakt aan, afgekeken en verkeerd begrepen van de Italiaanse traditie. Er is niets authentieks aan. Authentiek is alleen het al zo vaak bekritiseerde geschraap, gehoest en geproest in Nederlandse muziekzalen. Het lijkt nog het meest op een primitieve akoestische territoriumafbakening. Jullie mogen je daar op het toneel laten horen, maar de zaal is van ons. En zo'n instinct laat zich zelfs door het meest beschaafde verzoek van concertdirecties niet onderdrukken.

Het kan dus ook negatief uitwerken als menselijk gedrag iets dierlijks houdt. Maar de door Midas Dekker beschreven dierlijke rust zou een positief voorbeeld kunnen zijn. Stilzitten en niets doen, zei hij, is vaak heel wijs, want een wandelende tak die echt gaat wandelen is er snel geweest.